Lexicon van de Ethiek

Verklarend lexicon van de meest gebruikte begrippen uit de hedendaagse ethiek.

Gepubliceerd op 19-04-2017

2017-04-19

Gezindheid

betekenis & definitie

Gezindheid duidt op de innerlijke houding van de mens, de duurzame gerichtheid van de wil. De gezindheid heeft betrekking op het subjectieve moment van het handelen. Aan iedere handeling als het geïntendeerd bewerken van een stand of gang van zaken in de werkelijkheid, zijn immers een subjectief en een objectief aspect te onderscheiden: dat van de beweegreden (bedoeling, motief; zonder dat is er slechts van een gebeuren sprake) en dat van het uiterlijk vaststelbare handelingsgevolg. Beide zijn voor een morele (en juridische) beoordeling van een handeling van belang. Ligt eenzijdig de nadruk op één van deze handelingsmomenten, dan leidt dat, om de termen van Scheler te gebruiken, tot een gezindheids - dan wel een gevolgenethiek (Gesinnungs- / Erfolgsethik).

Historische ontwikkeling
In vroege fasen van de menselijke cultuur ligt in religie, moraal en recht (met name in het strafrecht) de nadruk bij de beoordeling van een handeling overwegend op het uiterlijk aspect ervan - in verband daarmee spreekt men van ‘daadzonde’, ‘daadstrafrecht’, et cetera. Gaandeweg krijgt men meer oog voor het subjectieve aspect van het handelen en wordt bij de beoordeling rekening gehouden met de beweegredenen. Zo wordt in het Oude Testament melding gemaakt van het instituut van de ‘vrijsteden’, waar de veroorzaker van een dodelijk ongeval heen kon vluchten om zich aan de ‘mechanisch’ werkende bloedwraak te onttrekken. Wanneer er geen sprake van opzet was, kon de ‘dader’ ter plaatse ongemoeid blijven wonen. De oudtestamentische profeten hebben grote nadruk op de ‘gerichtheid van het hart’ gelegd en zo tot een sterke verinnerlijking van religie en moraal de beginstoot gegeven. Deze lijn wordt door Jezus, met name in de Bergrede, doorgetrokken.

Een analoog verinnerlijkingsproces is in de antieke cultuur vaststelbaar. Zo zien we een ontwikkeling van geboorteadel naar geestesadel, vindt er in de tragedie een ethisering van de mythe plaats en zoekt Socrates naar de zedelijkheid achter de zede. Bij Aristoteles schuilt de morele kwaliteit van een handeling in de dispositie waaruit zij voortkomt. Ook bij de Stoa is de deugd het enige ‘intrinsiek’ goede, maar wel zó dat daarin een innerlijk en een materieel element samengaan: deugdzaam handelen betekent handelen in overeenstemming met de natuur, dat wil zeggen met een objectieve natuurlijke orde van goede dingen, waarbij het motief het inzicht in en de erkenning van die natuurlijke orde is (alleen de wijze handelt daarom werkelijk deugdzaam). Intentie en materiële oriëntatie van het handelen gaan zo samen.

Wanneer de gerichtheid van de wil niet meer aan een materiële orde van het goede gebonden wordt, wordt de intentie datgene wat alleen beslissend is voor de morele kwaliteit van het handelen. In die richting gaat Augustinus met zijn uitspraak: ‘Dilige et quod vis fac’ (bemin en doe wat je wilt). Een stijlzuiver geval is in dit opzicht Kants positie: ware zedelijkheid is niet af te meten aan het handelingsresultaat, maar alleen aan de juiste gezindheid, bestaande in de wil om naar stelregels te handelen die strikt algemeen (‘universaliseerbaar’) zijn. Enkel de wil, beoordeeld in het licht van immanente criteria van zuiverheid, los van het handelingsgevolg en van iedere oriëntatie aan voorgegeven materiële waarden, is in zichzelf goed. Bij Sartre, De Beauvoir en andere existentiefilosofen is deze lijn doorgetrokken wanneer zij de menselijke vrijheid, zelfbepaling of authenticiteit, kortom de gezindheid, als het enig bepalende gezichtspunt voor de morele beoordeling van het menselijk handelen beschouwen.

Dat de gezindheid constitutief is voor de morele kwaliteit van een handeling wordt door niemand betwist. Wel dat zij allesbepalend gezichtspunt zou zijn. In die zin kritiseert reeds Hegel Kants positie, wanneer hij laat zien dat enkel de algemeenheid van de wil geen toereikend criterium voor het morele gehalte van het handelen kan bieden. Integendeel, de subjectieve innerlijkheid (‘moraliteit’) dient haar steun en voltooiing te krijgen in een inhoud die objectief en in zichzelf noodzakelijk is. Deze wordt geboden door de zedelijke machten, de ‘an und für sich’ zijnde wetten en instellingen van de familie, de burgerlijke maatschappij en de staat. Eveneens ten overstaan van Kants formalistische gezindheidsethiek ontwikkelt Scheler zijn materiële waardenethiek. En als kritiek op de gezindheid als allesbepalend gezichtspunt ter beoordeling van het handelen moet ook Max Webers stellingname begrepen worden wanneer hij naast (niet tegenover) de ‘gezindheidsethiek’ de ‘verantwoordelijkheidsethiek’ plaatst als het instaan voor de gevolgen van het handelen dat met name van een politicus gevraagd mag worden (Weber, 1980).

Literatuur
Forschner, M., Die stoïsche Ethik, Darmstadt, 1995.
Reiner, H., ‘Gesinnung und Haltung’, in: Die Sammlung, vol. 13,1958, pp. 292-310.
Scheler, M., Der Formalismus in der Ethik und die materiale Wertethik, Bern, 1966.
Weber, M., Politiek als beroep, vertaald door J. de Valk, Baarn, 1999 (1919).
Welzel, H., ’Das Gesinnungs-Moment im Recht’, in: Festschrift für Julius von Gierke, Berlijn, 1950, pp. 290-315.

(K. van der Wal)