Vat betekenis & definitie

Vat, kan, kruik; (fig.) omhulsel van weinig waarde, het menselijk lichaam als omhulsel van de ziel.

Een broos vat, een zwak lichaam.

Zie hiervoor onder meer 2 Korintiërs 4:7. ‘Maar wij hebben deze schat [‘de kennis der heerlijkheid Gods’] in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons’ (NBG-vertaling). Vat in deze betekenis komt nog maar weinig voor in het moderne Nederlands. De NBV heeft het woord ook niet meer op de aangehaalde bijbelplaats; hier staat: ‘wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat’.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), 2 Korintiërs 4:7. Wi hebben sulcken scat in aertschen vaten op dat dye cracht ist dat si bouen blijft, si Gods, ende niet van ons. (Statenvertaling (1637): aerden i.p.v. aertschen.)

Gebruiksvoorbeeld: Maar het begrip tijd is een waarschuwing waarop een mens altijd bedacht behoorde te zijn, -- een waarschuwing dat hij maar een broos vat is. (F. Bordewijk, Verzameld werk, 1982-1991(Xandra en de pendule, 1955), dl. 8, p. 638)

Gebruiksvoorbeeld: Hij was onooglijk, lelijk, zijn mooie ogen redden zijn feitelijk mismaakt en dwergachtig figuur niet, al was hij misschien slechts een onfraai vat met een inhoud evenwel van kostbaren schatten. (Moderne Nederlandse verhalen, 1959, p. 68)

Gepubliceerd op 11-05-2017