Vat
I. m., het vatten, greep, houvast; (fig.) geen vat op iem. hebben, hem van niets kunnen beschuldigen, geen gegronde reden hebben om iets tegen hem te beginnen; geen geestelijk contact met hem kunnen krijgen; (ook) hem niet in het gemoed kunnen treffen; geen invloed op hem hebben: vermaningen hebben geen vat op hem, vermogen niets op h...