Laban betekenis & definitie

Laban, oom en schoonvader van aartsvader Jakob, bezitter van veel vee.

Vee van Laban, tuig van Laban, gespuis, tuig.

Laban was de broer van aartsvader Jakobs moeder Rebekka. Toch was hij niet makkelijk voor zijn neef en aanstaande schoonzoon. Uit de verhalen in het bijbelboek Genesis blijkt hij een inhalige man en een bedrieger te zijn. Zijn naam kon daarom uitstekend gebruikt worden ter versterking van vee (dat hij in ruime mate bezat) in de betekenis ‘gespuis, tuig’. De uitdrukking is dus niet rechtstreeks ontleend aan de bijbel. Sinds ongeveer een eeuw wordt in plaats van vee van Laban ook wel tuig van Laban gebruikt.

Gebruiksvoorbeeld: [Man tegen jongens die kattenkwaad uithalen:] Hé, stop daar eens mee! Vee van Laban, opgeraapt straatvuil! (Gehoord, jaren ’60)

Gebruiksvoorbeeld: Na mijn bevestigend antwoord kwam zij met de kernachtige uitdrukking die ik mij uit mijn jeugd zo goed herinner: ‘tuig van Laban.’ (NRC, okt. 1994)

Gepubliceerd op 11-05-2017