Wat is de betekenis van gespuis?

2019
2022-01-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

gespuis

gespuis - Zelfstandignaamwoord 1. lieden van laag allooi Ik wil niets met dat gespuis te maken hebben. Synoniemen tuig, geteisem

Lees verder
2018
2022-01-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

gespuis

gespuis - zelfstandig naamwoord uitspraak: ge-spuis 1. slecht volk, slechte mensen ♢ de politie heeft zijn handen vol aan dit gespuis Zelfstandig naamwoord: ge-spuis het gespuis Synoniemen geteisem, sc...

Lees verder
2007
2022-01-20
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

gespuis

gemeen volk; gepeupel. We kennen dit woord al sinds 1516. De herkomst is onduidelijk. Een verband met spuwen valt niet uit te sluiten. Het Middelnederlandse gespuwinge betekent ‘uitbraaksel’.Een deel ghespuys van helen, schudden, wespen, Of ander gorlegoy van onschamel gheboeft. (G.A. Bredero, 1618) Hou je bekken dicht, gespuis! (A.M....

Lees verder
1973
2022-01-20
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

gespuis

o., 1. gebroed: dat kleine kleine kinderen, het kleine grut; 2. geboefte, gemeen volk: zakkenrollers en ander —.

1952
2022-01-20
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Gespuis

s.n., brod (it), brot (it), rapalje (it), rasmas (it).

1937
2022-01-20
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

gespuis

o. (1 klein grut; 2 helsgebroed, monsters, schimmen, duivelen; in deze bet. vero.; 3 janhagel, geboefte): 1. het rumoer van dat klein gespuis; 2. het nachtelijk gespuis; 3. het Spaans gespuis; allerlei plunderziek gespuis.

Lees verder
1898
2022-01-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gespuis

GESPUIS, o. gebroed dat kleine gespuis, kleine kinderen, het kleine grut; — geboefte, gemeen volk zakkenrollers en ander gespuis; — gepeupel, janhagel: het gespuis begon de glazen in te smijten; — (gew.) getier, geraas.

Lees verder

Gerelateerde zoekopdrachten