Aartsvader betekenis & definitie

Aartsvader, stamvader; (fig.) eerbiedwaardige grijsaard, vooral als pater familias; (fig.) grondlegger (van een beweging, een staat e.d.).

Aartsvaderlijk, van personen: als een aartsvader; wijs, beschermend; kinderrijk; van zaken: traditioneel, passend in hiƫrarchische verhoudingen.

Aartsvader is een erenaam voor personen uit het Oude Testament die stamvader van talrijke geslachten werden. Vooral bekend zijn de aartsvaders Abraham, Isaak en Jakob en de twaalf zonen van Jakob. Pas in latere bijbelvertalingen vinden we dit woord; de Statenvertaling (1637) heeft nog het Latijnse patriarch. Het woord aartsvader is een vertaling van Latijns archipater, een wisselvorm van patriarch (zie ook dat artikel).

Bijbelcitaat: Luthervertaling Visscher (1648-1896), Hebreeƫn 7:4. Merkt nu op, hoe groot diegene is, wien zelfs Abraham, de aartsvader, de tienden gaf van den veroverden buit.

Gebruiksvoorbeeld: Domela Nieuwenhuis, de aartsvader van het Nederlandse socialisme. (De Standaard, okt. 1995)

Gebruiksvoorbeeld: En zo werd hij [Conscience] een groot schrijver, dik en met een aartsvaderlijke baard. (Trouw, 24-11-1983)

Gebruiksvoorbeeld: Deze richtende afzijdigheid gaf hem [Abel Herzberg] het onmiskenbaar aartsvaderlijke, dat in de jaren zestig Renate Rubinstein [...] begon te irriteren. (Vrij Nederland, 6-12-1997.)

Gepubliceerd op 11-05-2017