Boom betekenis & definitie

Boom der kennis (van goed en kwaad), boom in het paradijs die de sleutel tot de wijsheid vormde; (fig.) bron van kennis en bewustzijn.

Boom des levens, boom die het eeuwige leven geeft; (fig.) bron van leven, van levenskracht en van de voortzetting van het leven.

God plantte in de hof van Eden de ‘boom der kennis van goed en kwaad’, waarvan Adam en Eva in weerwil van het verbod aten, en de ‘boom des levens’, waar zij vervolgens in hun zondige staat niets van mochten nemen (Genesis 2:9, in deze genitiefvorm nog in de NBG-vertaling). Deze boom des levens wordt o.m. in Spreuken (15:4, NBG-vertaling) in de figuurlijke betekenis gebruikt: ‘Zachtheid van tong is een boom des levens’. De levensboom speelt in de mythologie en godsdienst van vele volkeren een rol, onder andere als toegang tot hemel of onderwereld. Zij was ook in de Germaanse godsdienst bekend. Bomen met andere magische krachten zoals den boom der kennises des goets ende des quaets in de formulering van de Statenvertaling zijn eveneens uit andere culturen bekend. Vooral in literaire teksten spelen deze bomen een rol. Zie ook Zondeval.

Bijbelcitaat: Liesveldtbijbel (1526), Genesis 2:9. Ende God die HERE liet op wasschen alderley bomen lustich te aensien, ende goet te eten, ende den boom des leuens midden inden hof, ende den boom des bekennissen des goets ende des quaets. (In de Statenvertaling (1637) den boom der kennisse des goets ende des quaets.)

Gebruiksvoorbeeld: En in die donkere Gaard [adres van de studentenkamer van de ik-figuur] / strekte ik mijn hand uit; ik at / van de boom van goed en van kwaad: / en het vers werd mij geopenbaard. (I. Gerhardt, Verzamelde Gedichten, 1980 (Studentenkamer, z.j.), p. 468)

Gebruiksvoorbeeld: [Over verwarring in ethiek en moraal:] Die boom der kennis van goed en kwaad kan nooit veel soeps geweest zijn. (NRC, nov. 1994)

Gebruiksvoorbeeld: Men beschuldigde mij van moord: ik zou met die krukken het oude mannetje de kop hebben ingeslagen -- het is jammer -- zovele oude mannetjes vallen van de boom des levens, gelijk gerimpelde en maaisteke appeltjes -- het maakt mij nog steeds zo zwaarmoedig -- ik moet bekennen, dat ik misschien wat al te hardhandig aan die boom heb geschud? (L.P. Boon, De Kapellekensbaan/Zomer te Termuren, 1980 (1953/1956) , p. 767)

Gebruiksvoorbeeld: Het [het verleid worden zonder liefde] zou haar nooit meer gebeuren, al had ze nooit meer wat, als zou ze moeten verdorren als een blad, ver weg gedwarreld van de boom des levens. (A. Blaman, Overdag en andere verhalen, 1957, p. 7)

Gepubliceerd op 11-05-2017