Wat is de betekenis van vaart?

2020
2022-05-20
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

vaart

Het begrip vaart heeft 6 verschillende betekenissen: 1) hoge snelheid. hoge snelheid bij het maken van een verplaatsing. 2) hoog tempo. hoog tempo bij het verloop van iets. 3) bootreis. verplaatsing per vaartuig; reis per vaartuig; bootreis. 4) het varen. het maken van verplaatsingen met vaartuigen; het varen; scheepv...

Lees verder
2020
2022-05-20
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

vaart

1) (1870) (Barg.) (meestal verkleinvorm) praatje, smoesje. • Ik had al rap een vaartje verzonne en ging het met de advokaat same uitwerke. (Willem van Iependaal: Polletje Piekhaar. 1935) • (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937) • Ik weet er een vaartje op! Ik laat je bezorgen!... Hou me vast, Hompie, of ik besnotter me van de gij...

Lees verder
2019
2022-05-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

vaart

vaart - Zelfstandignaamwoord 1. een opgebouwde snelheid De auto vloog met grote vaart de bocht uit. 2. een kanaal, een bevaarbaar gemaakte watergang Deze vaart verbindt het dorp met de stad. 3. (scheepvaart) het varen, het bedrijven van scheepv...

Lees verder
2018
2022-05-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

vaart

vaart - zelfstandig naamwoord 1. grote snelheid ♢ in volle vaart reed hij tegen een boom 1. het zal zo'n vaart niet lopen [het zal wel meevallen] 2. met een vaart ...

Lees verder
2017
2022-05-20
Matrozen en mariniers

Jargon & Slang van Matrozen en mariniers

Vaart

Vaart - droge vaart: benaming voor de koopvaardij. Natte vaart: benaming voor de visserij. Wilde vaart: zie wilde.

1990
2022-05-20
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

vaart

vaart - Het te water vervoeren naar een andere plaats met behulp van een vaartuig.

1985
2022-05-20
Encyclopedie van Noord Brabant

Anton van Oirschot (1985-1986)

VAART

ook Dongense Vaart geheten, dorp in de Noordbrabantse gemeente Dongen, aan gelijknamige vaart in de n.w. hoek van de gemeente; in 1840: 583, in 1890: 1077 en in 1987: 721 inwoners. Het werd in 1867 samen met Klein-Dongen een zelfstandige parochie.

1982
2022-05-20
Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

VAART

(Vaert). Voormalig water in ZuidBeveland; deel van de → Diepekreek. LITERATUUR C. Dekker, Zuid-Beveland.

Lees verder
1977
2022-05-20
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

vaart

vaart - vrouwelijk geslachtsdeel; eig. ‘(vaar)geul’ (zie voor meer plaatsnamen met erotische waarde, zoals in de eerste aanh. o.a. Stootwijk, Middelburg zA.). De vaart in Bilderdam en Buiksloot, 336 Onderscheidene Drink-Conditiën 7 [± 1830]. MOORMAN, Bronnenb. [1922]. v. BOLHUIS [1937].

Lees verder
1973
2022-05-20
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Vaart

v./m. (-en), 1. snelle (voortgaande) beweging; gang, vlucht: iets in zijn vaart stuiten; met (soms ook in) een vaart, snel, hard lopend (enz.); het zal zo’n niet lopen; wel loslopen; ergens vaart achter zetten, het bespoedigen; 2. het varen met een schip of met schepen: de vaart is gesloten, door ijsgang belemmerd; de grote vaart, de vaart m...

Lees verder
1952
2022-05-20
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Vaart

s.; (vaarwater, scheepvaart), feart; doorlopende —, trochfeart; een nieuw schip voor eigen rekening in debrengen, in nij skip úthelje; in dezijn (v. schip), yn ’t farwetter wêze; (snelheid), feart, gong, faesje, foarsje; in volle —, yn folie fae...

Lees verder
1950
2022-05-20
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Vaart

I. VAART v. (-en), 1. snelle (voortgaande) beweging; gang, vlucht: in rechte vaart; iets in zijn vaart stuiten; met een vaart(je), snel, gauw, vlug : met een vaart rende ze de school uit; hij kwam met een vaartje aan ; in dolle, vlugge, vliegende, volle vaart; vaart geven, krijgen, maken (ook fig.); {zi...

Lees verder
1937
2022-05-20
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

vaart

v. vaarten (1 tocht, reis inz. in samenst.; 2 gang, snelheid; 3 koers, richting; 4 het varen, de scheepvaart, het zeebouwen; 5 kanaal): 1. zie bedevaart, hemelvaart, heirvaart, kruisvaart; 2. iem. in zijn vaart stuiten; in dolle vaart; in volle vaart; een vaart hebben van....; vaart verminderen, krijgen; vaart achter iets zetten, bespoedigen; met e...

Lees verder
1898
2022-05-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VAART

VAART - v. (-en), voortgaande beweging; reis, tocht: hemelvaart, kruisvaart; — inz. reis te water : alles is voor de vaart gereed; — een schip in de vaart brengen, het voor het eerst laten varen; — scheepvaart : de vaart is goed, slecht; de vaart is gesloten, door ijsgang, door vorst; de vaart is weer open, vrij; — de bin...

Lees verder