Wat is de betekenis van vaartuig?

2024-06-13
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-06-13
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

vaartuig

vaartuig - Zelfstandignaamwoord 1. een vervoermiddel in principe voor vervoer over wateroppervlakten, met uitzondering van luchtvaartuig en ruimtevaartuig (dus ook door de lucht of het luchtledige) Het zelfgemaakte vlot bleek geen zeewaardig vaartuig te zijn. Woordherkomst samenst...

2024-06-13
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

vaartuig

vaartuig - zelfstandig naamwoord uitspraak: vaar-tuig 1. een ding waar je mee kunt varen ♢ een roeiboot en een zeilboot zijn vaartuigen Zelfstandig naamwoord: vaar-tuig het vaartuig de v...

2024-06-13
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

vaartuig

vaartuig - Vaartuigen die kunnen drijven en die zijn gebouwd om over het water te reizen of zaken te vervoeren, bijvoorbeeld een boot, schip of vlot.

2024-06-13
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

vaartuig

skip, skuit.

2024-06-13
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Vaartuig

s.n., fartúch (it), gefaer (it).

2024-06-13
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2024-06-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Vaartuig

o. (-en), 1. (coll., veroud., nog in hist. stijl) schepen, boten: de bouw van laag op het water liggend vaartuig; 2. schip, boot: een scherp vaartuig, dat snel zeilt of vaart; 3. (soms in tegenst. met schip) alg. ben. voor een klein schip, schuit of sloep: inlandse vaartuigen; 4. (gew.) rijtuig, wagen.

Wil je toegang tot alle 16 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-06-13
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

vaartuig

o. vaartuigen (schip, schuit); zie roeivaartuig.