Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

haar

betekenis & definitie

haar - zelfstandig naamwoord

1. fijne, buigzame vezels op huid van mensen en dieren
mijn vriend heeft blond haar
1. elkaar in de haren vliegen
[beginnen te vechten]
2. dat scheelde een haar
[heel erg weinig]
3. geen haar op m'n hoofd die eraan denkt
[ik doe het echt niet]
4. een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken
[een slecht mens is nooit te vertrouwen]
5. iemand geen haar krenken
[hem niets doen]
6. je wilde haren kwijtraken
[rustiger worden naarmate je ouder wordt]
7. er grijze haren van krijgen
[je er veel zorgen over maken]
8. iemand tegen de haren in strijken
[dingen zeggen die vervelend voor hem zijn]
9. mijn haren rezen te berge
[ik schrok heel erg]
10. met huid en haar
[volledig, helemaal]
11. gekrulde haren, gekrulde zinnen
[iemand met krullen is heel uitbundig]
12. een vrouwenhaar trekt meer dan zeven paarden (TB)
[is erg sterk]
13. beter dun van haar dan dik van hem (TB)
[dun haar is minder erg dan (ongewenst) zwanger zijn]
14. haar op de tanden hebben
[sterk zijn, jezelf goed kunnen verdedigen]
15. met de handen in het haar zitten
[geen raad meer weten]

Zelfstandig naamwoord: haar
het haar
de haren
het haartje