2019-11-22

boos

Het begrip boos heeft 13 verschillende betekenissen: 1) geneigd tot boosheid; kwaadaardig; gemeen; boosaardig 2) met de intentie om iemand kwaad of schade te berokkenen; met slechte bedoelingen; boosaardig; gemeen; snood 3) waaruit blijkt dat iemand boos is; blijk gevend van boosheid 4) vol moeilijkheden; bar; ook: beangstigend; verschrikkelijk 5) kwaadaardig geestelijk wezen; duivel; demon 6) in een slechte stemming verkerend, waarin men anderen verwijten maakt; kwaad 7) moeilijk; bar; verschri...

2019-11-22

boos

boos - Bijvoeglijk naamwoord 1. een emotie waarbij men zeer negatief is en men vaak de ander de schuld geeft De ontzettend boze man wist zichzelf in te houden. Wanneer iemand buitengewoon boos is wordt dat woedend genoemd. 2. kwaad, tegen de moraal De Grote Boze Wolf is een bekend spookjesfiguur. Verwante begrippen boos - kwaad - w...

2019-11-22

Boos

BOOS, bn. bw. (boozer, -t), verderfelijk, schadelijk, gevaarlijk het is hier een booze weg; de booze gevolgen; — kwaadaardig: eene booze ziekte; een booze hond; — onstuimig, guur, ruw het is boos weer; een boos water; — zorgvol, hachelijk wij beleven booze tijden; — het ziet er boos uit, de omstandigheden zijn bedenkelijk; — moeilijk, lastig, verdrietig: eene booze drukfout; de booze dagen van schoonmaken en opredderen; — vijandig gezind, kwaadwillig booze listen; de booze haat; —...

2019-11-22

boos

boos - bijvoeglijk naamwoord 1. in slechte stemming waarvan je anderen de schuld geeft ♢ ik ben boos op Gerard 2. bedoeld om te benadelen of te kwellen ♢ in haar droom zag ze duivels en andere boze geesten 1. het boze oog [eigenschap dat iemand met zijn blik bij anderen schade kan veroorza...

2019-11-22

Boos

Boos - Martin, Katholiek Duitsch geestelijke met dweepzieke natuur en mystieken aanleg. * 25 Dec. 1762 te Huttenried (Zwaben), ♱ 29 Aug. 1825 te Sayn bij Neuwied. B. studeerde theologie in Dillingen onder Zimmer, Weber en Sailer, was rijk begaafd, maar excentriek en onevenwichtig. Als kapelaan in Unterthingau (1790), begon hij over te hellen naar de sola-fides-leer van Luther. De kerkelijke overheid greep herhaalde malen in, maar B. bleef eigenzinnig en trotsch zijn eigen meeningen aanhangen....

2019-11-22

boos

boos - bn. en bw. (bozer, -t), 1. verderfelijk, schadelijk, gevaarlijk: de boze gevolgen; 2. kwaadaardig: een boze ziekte, een boze hond; 3. onstuimig, guur, ruw: het is weer; 4. zorgvol, hachelijk: wij beleven boze tijden; het ziet er — uit, de omstandigheden zijn bedenkelijk; het te verantwoorden hebben; 5. moeilijk, lastig, verdrietig: een boze drukfout; de boze dagen van schoonmaken en opredderen; 6. vijandig gezind, kwaadwillig: boze listen; de boze haat; een — opzet; boze...