Boos
bn. bw. (bozer, -t), 1. verderfelijk, schadelijk, gevaarlijk: het is hier een boze weg; de boze gevolgen. 2. kwaadaardig: een boze ziekte, een boze hond. 3. onstuimig, guur, ruw: het is boos weer; een boos water; 4. zorgvol, hachelijk: wij beleven boze tijden; — het ziet er boos uit, de omstandigheden zijn bedenkelijk;...