2019-11-22

boosaardig

boosaardig - Bijvoeglijk naamwoord 1. met de intentie om kwaad te doen De boosaardige crimineel kon worden ingerekend. Woordherkomst Samenstellende afleiding van boos en aard met het achtervoegsel -ig

2019-11-22

boosaardig

boosaardig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: boos-aar-dig 1. bedoeld om te benadelen of te kwellen ♢ dat is een boosaardig plan Bijvoeglijk naamwoord: boos-aar-dig ... is boosaardiger dan ... het boosaardigst de/het boosaardige ... iets boosaardigs Synoniemen...

2019-11-22

Boosaardig

BOOSAARDIG, bn. bw. (-er, -st), kwaadaardig, venijnig eene boosaardige koorts, gezwel; — boos, met het bijdenkbeeld van sluwheid of van zich vermeien in eens anders leed boosaardige laster, moedwil, domheid; boosaardig verspreide leugens. BOOSAARDIGHEID, v. BOOSAARDIGLIJK, bw.