Wat is de betekenis van Afzien?

2020
2021-11-29
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

afzien

(1950) (inf.) de bodem van zijn krachten bereiken; de pijngrens overschrijden; zich afbeulen. Typische uitdrukking uit het wielermilieu. Afzien is van oorsprong een Zuid-Nederlandse term, door oud-premier Van Agt in het Noorden populair gemaakt. Vaak versterkt met de toevoeging 'als een beer'. • Een tijd terug hebben we daarover eens gesproken...

Lees verder
2019
2021-11-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

afzien

afzien - Werkwoord 1. (inerg) ~ van: besluiten iets niet te doen Hij zag af van zijn voornemen. 2. (inerg) lijden, ongemak doorstaan, o.a. in de sport Die laatste ronde was puur afzien. 3. spieken, afkijken De...

Lees verder
2018
2021-11-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

afzien

afzien - onregelmatig werkwoord uitspraak: af-zien 1. iets ergs voelen ♢ het was wel afzien tijdens die marathon 2. het niet meer willen ♢ ik heb afgezien van mijn plan ...

Lees verder
2017
2021-11-29
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Afzien

Afzien - de bodem van zijn krachten bereiken; de pijngrens overschrijden: zich afbeulen. In Vlaanderen wordt deze uitdrukking gebruikt in de zin van veel lijden, zich opofferingen getroosten. In Nederland behoorde de uitdrukking tot voor enkele jaren tot het pure vakjargon. Oud-ministerpresident Van Agt vond destijds dat politici net als renners ko...

Lees verder
2015
2021-11-29
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

afzien

lijden door extreme inspanning Mijn keel was zo droog dat ze dichtplakte. Het was alsof ik aan het inhaleren was aan een haardroger op zijn heetst. We speelden tot we letterlijk omvielen en dan bleven we liggen waar we waren neergekomen. Zalig afzien. Dit was zonder twijfel zo’n moment dat meetelt bij de goede herinneringen. (J...

Lees verder
2010
2021-11-29
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

afzien

afzien: mag oorspronkelijk dan wel een Vlaams woord zijn, het is toch volledig ingeburgerd. Het betekent 'lijden'. Wielrennen is synoniem met 'afzien'. Afzien is pijn hebben en Pijn is genot (2006) volgens de Nederlandse schrijver Jan Siebelink; tjolen, afzien als de beesten; de ballen uit de broek rijden.

2009
2021-11-29
Groot wielerwoordenboek

Geschreven door Marc De Coster

afzien

De bodem van zijn krachten bereiken; de pijngrens overschrijden; zich afbeulen, ploeteren. In Vlaanderen wordt deze uitdrukking gebruikt in de zin van: veel lijden, zich opofferingen getroosten. Nijhoffs Zuidnederlands Woordenboek (1981) geeft al vindplaatsen uit de jaren vijftig van vorige eeuw. In Nederland behoorde deze uitdrukking tot voor enke...

Lees verder
2009
2021-11-29
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

afzien

(onov ww; zag af; h. afgezien) - na enorme inspanningen te hebben geleverd lichamelijk en/of mentaal uitgeput zijn, bijna niet meer verder kunnen, maar toch doorzetten en verder ploeteren, syn. lijden. • Afzien is net niet compleet kapotgaan. (SMETO) • Joop Zoetemelk heeft natuurlijk ook als een beest afgezien, maar wel van voren, terwijl de meest...

Lees verder
1999
2021-11-29
Woordenboek van Neologismen

Geschreven door Marc de Coster ©

Afzien

Afzien - sporttaal voor ‘lijden; enorme inspanningen moeten leveren; zwaar ploeteren’. Aanvankelijk Zuid-Nederlands en meer algemeen ingeburgerd. In Nijhoffs Zuidnederlands Woordenboek (1981) treffen we al vindplaatsen aan uit de jaren vijftig. Via de wielertaal en door toedoen van oud-minister-president Van Agt, die vond dat politici net als renne...

Lees verder
1998
2021-11-29
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Afzien

zie afzien als een beer.

1952
2021-11-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Afzien

v., ôfsjen; ergens van —, earne ôfsjen, eat oergean litte; voorlopig van iets —, eat op in sêft sin sette.

1950
2021-11-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Afzien

(zag af, heeft afgezien), I. onoverg., 1. de blik afwenden en naar iets anders zien : hij hield de ogen strak op één punt gevestigd, zonder er van af te zien 2. van iets afzien, er niet meer op letten, vgl. afgezien van (w. g.); — (fig.) besluiten er afstand van te doen, hetzij door het bezit er van prijs t...

Lees verder
1937
2021-11-29
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

afzien

I. zag af, h. afgezien (1 de blik van iets of iem. afwenden en naar een andere richting zien; 2 laten varen, opgeven; 3 ten einde of geheel bezien; 4 afkijken; 5 Z.-N. lijden): 1. zijn oog gevestigd op een punt, zonder er van af te zien; 2. van iets of iemand afzien; van een eis, van het woord afzien geen gebruik maken van het recht het woord te v...

Lees verder
1898
2021-11-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

AFZIEN

Afzien (zag af, heeft afgezien), den blik afwenden en naar iets anders zien hij hield de oogen strak op één punt gevestigd, zonder ervan af te zien; — (flg.) (w. g.) van iets afzien, er niet meer op letten, vgl. afgezien van; — (fig.) (w. g.) besluiten er afstand van te doen. hetzij door het bezit ervan prijs te geven, he...

Lees verder
1898
2021-11-29
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Afzien

zie Afleeren. zie Afstappen.

Lees verder