Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

Gepubliceerd op 02-08-2017

afzien

betekenis & definitie

(onov ww; zag af; h. afgezien) - na enorme inspanningen te hebben geleverd lichamelijk en/of mentaal uitgeput zijn, bijna niet meer verder kunnen, maar toch doorzetten en verder ploeteren, syn. lijden.

• Afzien is net niet compleet kapotgaan. (SMETO)

• Joop Zoetemelk heeft natuurlijk ook als een beest afgezien, maar wel van voren, terwijl de meeste renners van achteren afzien. Dat is een groot verschil en dat realiseert hij zich niet altijd. (SLOGI)

• Afzien, stoempen en harken, al dan niet met het snot voor ogen of volledig uitgewoond, doen we allang niet meer alleen op de fiets. (SCHLA)