Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

Gepubliceerd op 18-07-2021

vaar

betekenis & definitie

1) (17e eeuw) (inf.) vader. Vgl. moer*.

• Het was er erg armoedig, de ouwe vaar van een van die mokkels waar we thuis waren bleef gewoon op z'n nest liggen toen ik z'n dochter op de grond lag te fleppen. (Haring Arie: Een leven aan de Amsterdamse zelfkant. 1968)
• Je vaar… om hem heb ik geen traan gelaten. (Catalijn Claes: Steenzetters. 2013)

2) (17e eeuw) (inf.) mannelijk geslachtsdeel. Naar analogie van 'moer' (baarmoeder).

• (Hans Heestermans: Erotisch Woordenboek. 1980)
• (Jaap Engelsman, Joep Kruijsen, Ewoud Sanders & Rob Tempelaars: Taal als levenswerk. Aspecten van de Nederlandse taalkunde. 2005) p 35