Tabak betekenis & definitie

Tabak (Nicotiana Tourn.) is de naam van een plantengeslacht uit de familie der Solaneën. Het behoort te huis in de keerkringslanden van Amerika en omvat meerendeels kleverig-behaarde kruiden en halfheesters, veelal met vertakten stengel, verstrooide, gave, gaafrandige bladeren, eindstandige bloemtrossen of pluimen, trechter- of schotelvormige bloemen en drooge, tweehokkige, door den overblijvenden kelk omgeven zaaddoozen met een groot aantal kleine zaden. De gewone Virginiatabak (N. tabacum L.) is 1—2 Ned. el hoog, met klieren bezet, behaard, kleverig, met zittende, langwerpig-lancetvormige, toegespitste bladeren, waarin de zij-nerven onder scherpe hoeken van de middelnerf uitgaan en met eene uitgespreide pluim van lichtroode, buisvormige bloemen. De Marylandtabak (N. tabacum macrophyllum Dun.) onderscheidt zich van de voorgaande soort door breedere, stompe, stengelomvattende, zittende bladeren, wier zijnerven nagenoeg regthoekig van de middennerf uitgaan, alsmede door de meer gedrongene bloeiwijze; deze plant wordt 2½ Ned. el hoog.

De boerentabak (N. rustica L.) wordt 60—120 Ned. duim hoog, is met klieren en korte haren bezet en kleverig, heeft een min of meer vertakten stengel, ovale, boven zittende en onder gesteelde, geribde bladeren en groenachtig gele bloemen met korte buizen, tot pluimen vereenigd. Wij geven hierbij de afbeeldingen van genoemde drie planten, namelijk in flg. 1 van de eerste, en wel in a een gedeelte van de bloempluim, in b van een blad, beide op ⅓de der natuurlijke grootte, in c van eene overlangs doorgesnedene bloem in natuurlijke grootte, in d van een doorgesneden vruchtbeginsel op het dubbele der natuurlijke grootte, in e van een zaadje en in f van een doorgesneden zaadje, beide op het 40-voudige der natuurlijke grootte. Voorts ziet men in tig. 2 eene afbeelding van Tabacum macrophyllum en in flg. 3 van Nicotiana rustica.

De tabak groeit in den regel nog in die streken, waar de wintertarwe in het eerste derdedeel der maand Augustus rijp wordt; goede tabak vereischt echter het klimaat van den wijnstok, en de fijnste soorten worden verbouwd tusschen 15 en 35°. De beste gronden voor tabak zijn kalkgronden of zoodanige, welke uit een mengsel van mergel, klei en zand bestaan, zoodat zij veel humus bevatten en warm zijn. Ook een vruchtbare, kalkachtige mergelgrond is geschikt voor tabak, mits hij zeer warm gelegen zij. Naar het zuidoosten gekeerde heuvelhellingen zijn zeer aan te bevelen. Aan den tabak laat men klaver, luzerne of iets dergelijks voorafgaan; hij kan daarop gedurende twee of meer achtereenvolgende jaren geteeld worden, en levert zelfs in het tweede en derde jaar eene fijnere soort dan in het eerste. De tabak is eene kaliplant en onttrekt aan den bodem aanmerkelijke hoeveelheden kali, maar heeft van chloorverbindingen veel te Iijden. Voor rooktabak en dekbladen werkt de bemesting van den grond of het onderploegen van klaver met het opbrengen van stalmest in den herfst het gunstigst, gevolgd door diepploegen in den naherfst. Op een zandigen bodem is het opbrengen van slijk zeer aan te bevelen.

Het land moet voorts bewerkt worden met dezelfde zorg, die men aan den tuinbouw besteedt. Men zaait in Maart, besproeit met ijver, beveiligt de planten met eene stroobedekking tegen vorst, dunt de planten zoodra de vruchtboomen bloeijen, verpoot de krachtigste plantjes 2½ —6 Ned. duim van elkaar op tuinbedden, beveiligt ze ook hier met stroo tegen de nachtvorst en brengt ze in het begin van Junij met 6 of 7 bladeren op den akker. Men plaatst ze met tusschenruimten van 60 Ned. duim en behoudt daarenboven telkens na twee rpen een pad. Als de planten aan het groeijen zijn, begint men met het schoffelen en aanaarden. Zoodra de bloempluim zich ontwikkelt, wordt deze weggesneden of, zooals men het noemt, de plant getopt, zoodat er 8—10 bladeren overblijven. Later verwijdert men ook de zijloten der blad-oksels. Bij het eerste schoffelen graaft men telkens na de vierde plant gaten, waarin met water verdunde en met guano vermengde ier wordt gegoten. In plaats daarvan kan men ook in het voorjaar bemesten, maar ier geeft een fijner blad.

Wanneer de tabak omstreeks 3 maanden op het land heeft gestaan, zijn de bladeren rijp; zij worden dof, geel gevlekt en. kleverig en erlangen een doordringenden geur. In dien toestand oogst men eerst den voor dekbladen, daarna den voor de pijp bestemden tabak, — dezen laatsten eerst, wanneer de randen der bladeren beginnen om te krullen. Bij het oogsten neemt men eerst de onderste bladeren (zandgoed) weg, daarna de volgende (aardgoed) en eindelijk de bovenste (bestgoed). Bij goed weder knikt men de bladeren en haalt ze den volgenden dag weg. Daarna droogt men ze weken of maanden lang in luchtige schuren. Intusschen is de behandeling der tabaksplant in verschillende landen zeer verschillend; in Amerika bijv. haalt men de geheele planten van den akker, nadat men ze eenige dagen te voren zoo ver aangesneden heeft, dat zij omvallen, en men hangt ze met de bladeren in de droogschuur. De opbrengst beweegt zich tusschen 900—2000 Ned. pond en meer op het Ned. bunder. Behandelt men voorts de uitloopers van den stam op dergelijke wijze als den eersten oogst, dan leveren deze ook nog eene zekere hoeveelheid tabak, maar van veel geringer deugd.

De gedroogde bladeren bindt men voorts in bossen en onderwerpt ze aan eene gisting, door ze op lange hoopen te vlijen ter breedte en hoogte van 1¼de tot 1½ Ned. el. Heeft zich daarin eene voldoende warmte ontwikkeld, dan zet men de hoopen om, zoodat de binnenste bossen aan de buitenzijde komen te liggen. Dit wordt herhaald totdat de bladeren geheel en al verschrompeld zijn en eene min of meer donkerbruine kleur hebben verkregen. Daarna worden de broeihoopen afgebroken en de vochtige bossen of bundels op droogbanken geplaatst. Vervolgens worden de bladeren, voor dekbladen van sigaren bestemd, gestreken; dat is zij worden geëffend en nerf op nerf gelegd en na de opstapeling van ongeveer 16 bladeren onder eene plank geperst. De fijnere soorten worden ook wel ontdaan van de middennerf door het blad langs deze weg te scheuren en alzoo in twee helften te verdeelen. De nerven dienen tot bereiding van snuif of ook van eene goedkoope soort van tabak, ja, zelfs tot vulsel van sigaren.

De soorten van tabak, welke in den handel voorkomen, ontleenen doorgaans haar naam aan het land, waar zij groeijen. De belangrijkste zijn de volgende: Zuid-Amerikaansche tabak, zooals varinas uit de provinciën Varinas, Merida, Margarita enz. der republiek Venezuéla; hij komt in canassars (manden van gevlochten riet (canastra)) in den handel, is zeer zacht, heeft een fijn, teêr, kastanjebruin blad en levert den fijnsten rooktabak, — voorts Orinoco-canassar, Cumana-tabak, Braziliaansche tabak, Paraguay- en Columbiatabak en Mexicaansche tabak, — West-Indische tabak, zooals de Cuba- of Havana-tabak; de Havana-tabak wordt voor de beste soort gehouden, terwijl zijne uitgezóchte bladeren den naam van „cabanos” dragen; deze tabak wordt meestendeels daar ter plaatse tot het maken van sigaren gebruikt, maar ook wel in bundels of ceroenen naar Europa verzonden. De Cuba-tabak is op verschillende plaatsen van dat eiland gegroeid, nadert in deugd tot de Havana-tabak en dient desgelijks voor het grootste deel tot vervaardiging van sigaren, — voorts de Domingo- en Portoricotabak, welke laatste een uitstekenden rooktabak levert, — Noord-Amerikaansche tabak, zooals Maryland-tabak (de vader van den bekenden baai-tabak), Virginia-, Kentucky- en Florida-tabak, benevens „seedleaf”, dat in Pennsylvanië, Connecticut en Ohio uit zaad van Cuba-tabak gewonnen wordt, — Aziatische tabak, zooals de Manila- en de Java-tabak, die meestal in sigaren wordt omgezet, — en eindelijk Europésche tabak. Frankrijk levert in 18 departementen tabak, die tot het maken van snuif en ook tot rooktabak dient; het ontvangt voorts veel tabak uit Algérië, Havana en Noord-Amerika. In de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie wordt tabak verbouwd in Tyrol, Galicië, doch vooral in Hongarije op den linker oever van de Theisz. De Hongaarsche tabak is dun, zacht en geel van blad en wordt zoowel voor de pijp als tot het vervaardigen van sigaren en van snuiftabak gebezigd.

In ons Vaderland bestaat tabaksbouw in de provinciën Utrecht en Gelderland, en de Amersfoortsche wordt er voor de beste gehouden. In Duitschland bloeit de tabakscultuur in de Pfalz, waar de opbrengst hoofdzakelijk verzonden wordt naar sigarenfabrieken in Bremen, Hamburg, Nederland en elders. In Engeland verbouwt men geen tabak, doch de Turksche tabak nadert door het klimaat des lands en door eene zorgvuldige behandeling tot de deugd der Havanasoorten. Overal verbouwt men in Turkije tabak, maar de beste soort in Macedonië, in de aldaar gelegen rivierdalen. De vandaar afkomstige fijne soorten zijn in lange, dunne draden gesneden, goudkleurig, geurig en droog. Ook in Roemelië heeft men tabaksbouw, en de Syrische soorten zijn donkerbruin van kleur.

Tabaksbladeren hebben een narcotischen geur en een walgelijken, bitteren smaak. Zij bevatten 16—27% anorganische stoffen, die voor ¼de tot ½ uit kalk en wel eens ten bedrage van 30% uit kali bestaan, terwijl daarin tevens eene groote hoeveelheid phosphorzuur en magnesia aanwezig is. Het stikstofgehalte bedraagt 4½%. De bases zijn grootendeels met organische zuren verbonden en de brandbaarheid van den tabak is afhankelijk van het bedrag van organische kalizouten. Slecht brandende tabak levert asch met veel kaliumsulfaat, en chloorkalium, maar vrij van kaliumcarbonaat. Een grooten invloed op de brandbaarheid van den tabak heeft voorts het gehalte aan salpeterzuur, hetwelk in de middennerf 6% en in de overige nerven 2% bedragen kan. Het werkzame bestanddeel der tabaksbladeren is de nicotine (zie aldaar), welke men in verschillende hoeveelheden in het tabaksblad aantreft, terwijl haar gehalte niets schijnt af te doen tot de deugdelijkheid van den tabak. Het grootste gehalte vindt men gewoonlijk in de geringere soorten, hoewel het ook afhankelijk is van de bereiding der bladeren.

Goede, luchtdrooge tabak bevat 1,5 tot 2,6% nicotine, maar er zijn ook opgaven, waarin wij vermeld vinden, dat van nerven beroofde bladeren, 3 tot 6, ja zelfs meer dan 8% nicotine bevatten. Voorts vindt men in den tabak nicotianine, appel- en citroenzuur, hars, gom, eiwit enz. Drooge, gegiste bladeren bevatten als gistingsproducten ammoniak, trimethylamine en ferment-oliën. Bij het rooken zouden zich voorts uit de cellulose, de gom, het eiwit enz. kwalijkriekende zelfstandigheden ontwikkelen, zoo men de middennerf niet verwijderde en door gisting enz. de minder aangename zelfstandigheden der bladeren niet uit den weg ruimde. De ferment-oliën, welke bij deze gelegenheid ontstaan, dragen niet weinig bij tot den geur van den tabak.

Bij het wegsmeulen der bladeren ontstaan ammoniak, vlugtige bases, empyreumatische stoffen, blaauwzuur, zwavelwaterstof, vlugtige zuren, kooloxyde, koolzuur enz. De nicotine wordt volkomen ontleed; intusschen gaat de nicotianine in den tabaksrook óver en de eigenaardige werking van dezen moet men zoowel aan deze toeschrijven als aan de bases (pyridine, picoline, lutidine, collidine enz.) en het kooloxyde. De bladeren, welke naar gelang van afkomst, klimaat, bodem en behandeling aanmerkelijk onderling verschillen, worden voor den handel gesorteerd en voor het gebruik op eene doelmatige wijze vermengd; geringere soorten verbetert men door ze jaren lang bij eene flaauwe gisting te bewaren; somtijds worden zij met water, kalkwater, ammoniak, asch, of met water, waarin zoutzuur is opgelost, uitgeloogd of op verwarmde ijzeren platen geroost. Veelal onderwerpt men den tabak aan eene gisting, tot welk einde men hem besproeit met eene oplossing van stroop of met vruchtennat, of ook met natte gist, met eene wijnsteen- of eene zout-oplossing enz., om hem daarna in vaten te persen. Het gistingsverloop eindigt, wanneer men de bladeren uitspreidt in de lucht of roost, waarna men ze besprenkelt met een geurig vocht, waarbij men wel eens salpeter voegt ter bevordering der brandbaarheid.

Om rooktabak te maken, worden de op voorschreven wijze bereide bladeren gesorteerd, van nerven gezuiverd of tusschen rollen geëffend en daarna gesausd. De saus, hoofdzakelijk bestaande uit stroop, zouten en specerijen, wordt in verschillende fabrieken op verschillende wijzen toebereid. Nadat de bladeren er mede besproeid of er ingedompeld zijn, worden zij gekleurd, als een touw ineen gedraaid en vervolgens gedroogd of geroost. Omtrent sigaren raadplege men het artikel onder dat woord. Snuif wordt voornamelijk vervaardigd van Virginia- en van Amersfoortschen tabak, — voorts van tabak uit Polen, Hongarije en de Pfalz. De bladeren worden daartoe gesorteerd, van nerven bevrijd, gesausd en aan eene gisting onderworpen. In het algemeen is hierbij het gebruiken van bijtmiddelen en sausen eene zaak van het hoogste belang, en de grondstof wordt daardoor en door de gisting veel meer veranderd dan bij het maken van rooktabak.

Na de gisting worden de bladeren óf fijngesneden, gestampt, gemalen en gezift, óf eerst in carotten gebonden. Deze laatste zijn rollen ter lengte van 30 Ned. duim, welke aan de uiteinden dunner uitloopen en met bindgaren zijn omwoeld; men laat deze geruimen tijd liggen en verkrijgt daardoor eene eigenaardige nagisting, welke niet weinig tot verbetering van de snuif bijdraagt. Om het omslagtig en tijdroovend werk, aan het maken van carotten verbonden, te vermijden, perst men de bladeren ook wel in kisten, om ze daarin te laten gisten. Tot het fijnmaken der carotten dient de rappeermachine, en deze levert een grof poeder, rappé genaamd. Voorts bezigt men stampers en stampmolens en eindelijk snuifmolens, die als korenmolens zijn ingerigt en de fijne, meelvormige snuif geven. Pruimtabak wordt gewoonlijk bereid van den zwaarsten Virginia-tabak, dien men laat gisten, met verschillende sausen behandelt en tot rollen spint ter dikte van een vinger.

De werking van onbereide tabaksbladeren is afhankelijk van hun nicotinegehalte; eene groote gift veroorzaakt den dood onder stuiptrekkingen; ook eene groote dosis brengt dien zeer spoedig te weeg zonder stuiptrekkingen, bij eene ongemeene slapheid der spieren en bij bewegingloosheid. In de bereide tabaksbladeren is het nicotinebedrag veelal aanmerkelijk verminderd, en bij het rooken heeft de nicotine nagenoeg geen invloed. De eerste pogingen om tabak te rooken hebben in den regel walging, misselijkheid, beklemdheid, koud zweet, trilling der ledematen, duizeling en neiging tot omnagt, ja somtijds braking en buikloop ten gevolge. Wie zich aan het rooken van tabak gewend heeft, ondervindt daarbij eene aangename opwekking, eene streelende gewaarwording, waardoor de werkzaamheid der spijsvertering bevorderd wordt. Tabakrookers kunnen beter dan anderen den honger verduren, en in het algemeen beschouwt men het rooken als een hulpmiddel tot bevordering der matigheid. Ook schijnt een matig gebruik van het rooken geen nadeeligen invloed te hebben.

Een aanhoudend sterk rooken daarentegen belemmert de spijsvertering, vermindert den etenstrek, is oorzaak van eene gestadige ontsteking van het slijmvlies van de keel en ook wel van het strottenhoofd en geeft in beslotene ruimten aanleiding tot chronische oog-ontstekking. Het onzindelijke snuiven, dat in onzen tijd gelukkig nagenoeg verdwenen is, schaadt den reuk en den smaak en doet desgelijks chronische keelontsteking ontstaan. Hoogst nadeelig — dit wordt vooral in Noord-Amerika beweerd — is het kaauwen van tabak of het pruimen; dit laatste brengt niet alleen de spijsvertering in de war, maar heeft ook een noodlottigen invloed op de geestvermogens. In het algemeen is het gebruik van tabak, voor hen, die den volwassen leeftijd nog niet bereikt hebben, ten sterkste af te raden. — Om een overzigt te geven van de tabakscultuur in Europa, zullen wij achter de verschillende rijken, waar zij bestaat, het aantal Nederlandsche bunders vermelden, dat zij er in beslag neemt, en daarachter tusschen haakjes het aantal centenaars tabak plaatsen, dat er de oogst van ieder bunder gemiddeld oplevert, namelijk: België 1693 (26,02), Duitschland 30500 (35,04), Frankrijk 14858 (25,72), Nederland 1759 (48), Oostenrijk 5128 (19,52), Hongarije 52118 (13,68), Zwitserland 500 (40), Zweden 2000 (15) en Serbië 1409 (14), terwijl in de Vereenigde Staten 194280 Ned. bunders met tabak zijn beplant, die ieder gemiddeld 17,50 centenaars opleveren. Het verbruik van tabak bedraagt per hoofd (in Ned. ponden) in Engeland 0,5, in Frankrijk 0,5, in Oostenrijk 1.4, in Duitschland 1,5, in Noord-Amerika 1.5, in België 2,4, in Cuba 1,1, in Rusland 0,5, in Italië 0,75 en in Nederland 2,8.

Sedert hoelang men reeds in China de Nicotiana chinensis Fisch. gerookt heeft, is niet met zekerheid te bepalen. In Europa kwamen de eerste berigten omtrent den tabak door Columbus. Deze had gezien, dat de inboorlingen van Guanahani tabaksbladeren in een maïsblad rolden en daarna rookten. Fra Bomano Pane, door Columbus op Haïti achtergelaten, deed eenige mededeelingen omtrent de tabaksplant aan Petrus Martir, en door bemiddeling van dezen werd zij in 1511 overgebragt naar Europa. De bewoners van dat eiland rookten zamengerolde tabaksbladeren of sneden deze fijn en rookten ze daarna uit buizen of pijpen. Men zegt dat deze, volgens anderen de maïs-sigaren, den naam droegen van tabacos. In 1525 gaf Gonzalo Hernandez de Oviédo y Valdes, stadhouder van St. Domingo, eene naauwkeurige beschrijving van die plant. Later werd zij door den Spaanschen arts en kruidkundige Nicolaas Monardes in een boek over West-Indië (1571) als eene geneeskrachtige plant aanbevolen. Jean Nicot, Fransch gezant in Portugal, zond in 1560 tabakszaad naar Parijs, en Linnaeus bestempelde het geheele geslacht met diens naam. Niet lang daarna ontving ook Konrad Geszner middelijkerwijze van Occo te Augsburg dit gewas en herkende het door het te vergelijken met eene afbeelding, door Aretius te Bern vervaardigd, waarna Geszner het publiek opmerkzaam maakte op de geneeskrachtige eigenschappen van den tabak. De gewoonte van tabakrooken werd door Spaansche matrozen en Engelsche kolonisten naar Europa overgebragt, en wel door eerstgenoemden reeds in het midden der 16de eeuw naar Spanje en West-Indië, en door Iaatstgemelden in 1586 uit Virginia naar Engeland. Het tabakrooken was in Noord-Amerika sinds onheugelijke tijden in zwang, en toen Raleigh Virginia ontdekte, was de tabakscultuur er algemeen verspreid. In 1622 bragten Engelsche en Nederlandsche soldaten het tabakrooken over naar de Rijn- en Mainstreek, vanwaar het zich eerlang over andere gewesten van Duitschland uitbreidde. Jacob I, koning van Engeland, legde op den tabakshandel eene zware belasting. In 1626 werd de tabak, voor ’t eerst in Europa, in Nederland verbouwd, iets later in Engeland, in 1676 in Brandenburg en in 1697 in de Pfalz. In Frankrijk voerde men in 1674 het monopolie in, hetwelk in 1789 voor 32 millioen livres aan de „Ferme generale" verpacht werd. Daarmede was eene beperking van den aanbouw tot de departementen Lot en Lot et Garonne verbonden. Zij werd in 1790 opgeheven, maar in 1811 hersteld. In Oostenrijk dagteekent het monopolie van 1670; zij werd verpacht tot 1783 en kwam daarna aan den Staat. In 1818 omvatte zij de geheele monarchie met uitzondering van de Kroonlanden, en sedert 1857 strekt zij zich ook uit tot deze. Een dergelijk monopolie bestaat ook in Italië, Spanje en Portugal, zoodat zij zich uitstrekt over 40% der bevolking van ons werelddeel. In ons Vaderland echter zijn tabak en sigaren, schoon artikelen van weelde, die in Engeland 21/l0de gulden per hoofd der bevolking aan de schatkist opbrengen, geheel en al onbelast. Snuiven en pruimen zijn Europésche uitvindingen. Daar het in den beginne voor sommigen eene schande, voor anderen een gewetensbezwaar was, openlijk te rooken of, zooals men toen zeide, „tabak te drinken”, ontstonden in Frankrijk, in de eerste plaats te Parijs, rooklocalen (tabagies) voor de begunstigers van den tabak. Tot aan 1848 was het rooken op straat in onderscheidene landen van Europa verboden.

Laatst bijgewerkt 20-08-2018