Naam betekenis & definitie

Een naam is een woord, hetwelk een bepaald wezen aanwijst, derhalve een eigen naam (nomen proprium), en moet alzoo onderscheiden worden van het gemeen zelfstandig naamwoord (nomen commune) der taalkundigen, hetwelk een begrip, eene soort of een geslacht aanduidt.

De namen der aloude bewoners van het Oosten waren veelal ontleend aan die der godheid of ook aan omstandigheden, welke bij de geboorte van het kind hadden plaats gehad. Ook werd er later, op grond van gewigtige gebeurtenissen, wel eens een naam bijgevoegd. Bij de Semieten droegen de zonen zeer dikwijls den naam des vaders met het voorvoegsel ben (zoon). Bij de Grieken bestonden in overouden tijd geene geslachtsnamen. Slechts enkele priesterlijke geslachten in Athene en Sparta werden naar hun stamvader genoemd, bijv. de Eumolpiden (naar Eumolpus). Hier werd desgelijks ter onderscheiding de naam des vaders aan dien des zoons toegevoegd.

Ook de Romeinen hadden aanvankelijk slechts één naam, doch reeds sedert de vroegste tijden der Republiek voerden zij er in den regel drie, namelijk een geslachtsnaam (nomen), steeds op ius uitgaande, een familienaam (cognomen), zooals Cícero, Caesar, Scipio, en een vóórnaam (praenomen), die gewoonlijk door de eerste letter aangeduid werd, zooals M. (Marcus), C. (Cajus), T. (Titus). In den naam Marcus Tullius Cícero is Marcus de vóórnaam, welke den redenaar van zijn broeder Quintus onderscheidt. Somtijds werd achter familienamen nog een bijnaam (agnomen) gevoegd, door roemrijke daden of ook wel door adoptie verworven. Ook werden grootvader en kleinzoon onderscheiden door de bijgevoegde namen major en minor. Kinderen van het mannelijk geslacht ontvingen hun naam gewoonlijk op plegtige wijze op den negenden en van het vrouwelijk geslacht op den achtsten dag na de geboorte. Aan den oudsten zoon gaf men het praenomen van zijn vader. De slaven werden genoemd naar hun vaderland of droegen slechts één naam; doch na het ontvangen der vrijheid voerden zij den vóór- en geslachtsnaam van hun voormaligen meester.

De kinderen der Germanen werden in tegenwoordigheid van genoodigden in een bad gebragt, en dan door den aanzienlijkste der aanwezigen, veelal een grootvader, met water begoten en met een enkelen naam begiftigd. Er ontstonden wel bepaalde geslachten, maar het afzonderlijk lid van zoodanig geslacht droeg den geslachtsnaam niet. De namen waren in het algemeen ontleend aan die van krachtige dieren, geliefkoosde bezigheden en merkwaardige verschijnselen. Ook bij de invoering van het Christendom ontving men slechts een doopnaam. Familienamen ontstonden eerst in de middeneeuwen, en wel bij den adel in de 12de en 13de eeuw. Zij waren dezelfde als die der kasteelen, waar zij hun verblijf hielden. Familienamen kwamen in de 14de eeuw ook bij den burgerstand en in de 16de algemeen in gebruik.

Vele Germaansche familienamen zijn afkomstig uit de dagen van het Heidendom, en eenige van deze werden in den loop des tijds zoodanig gewijzigd en verkort, dat men ze niet meer verklaren kan. Vele andere hebben hun oorsprong in bijnamen, verkregen door het aannemen van den naam der geboorteplaats, of ook wel afkomstig van de ligchamelijke of zedelijke eigenschappen van den persoon, alsmede van het maatschappelijk bedrijf van dezen. De vrouwen nemen den geslachtsnaam aan van hare echtgenooten, doch vermaarde zangeressen en tooneelspeelsters behouden dikwijls hare eigene geslachtsnamen.

Bij de Israëlieten in het Westen kwamen de familienamen eerst in het laatst der 16de eeuw in gebruik. De Russen en Serben hebben enkel een doopnaam, veelal den naam van den Heilige, wiens gedenkdag met hun geboortedag zamenvalt. Daarenboven hebben de Russen een naam, die met achtervoeging van itsj (voor de jongens) of owna (voor de meisjes) van den naam des vaders is gevormd. De Noormannen bezigden den naam des vaders met het voorvoegsel Fitz (Filius), de Schotten gebruikten hiertoe M’, eene verkorting van Mac (zoon) en de Ieren O’, hetwelk volgens sommigen desgelijks zoon beteekent. In Engeland, Zweden en Denemarken gaf men aan den zoon den naam zijns vaders met het achtervoegsel son (zoon), en bij de Spanjaarden eindigen de namen, aan dien des vaders ontleend, op er. De Arabieren voegen achter den naam het woord ebn of ben (zoon) en laten daarop den naam des vaders volgen, en bij de Chinézen heeft men geene blijvende vóórnamen. De Chinees verwisselt deze, totdat hij eene inrigting van onderwijs bezoekt of een staatsambt aanvaardt.

Zoodanig verwisselen van naam mag in een beschaafden Staat geene plaats vinden. Daardoor toch zou de regtszekerheid worden bedreigd. Het is om die reden, dat de registers van den burgerlijken stand in ons Vaderland met groote naauwkeurigheid worden aangehouden. Ook in het kiezen van vóórnamen is men niet volkomen vrij; alleen zulke vóórnamen worden ingeschreven, die uit de geschiedenis als zoodanig zijn erkend. Over eene verandering van vóórnaam beslist de arrondissements-regtbank. Tot verandering of aanneming van een geslachtsnaam is Koninklijke goedkeuring noodig. Het aanzoek daartoe moet in de staatscourant worden bekend gemaakt, en vergunning van dien te voeren kan eerst een jaar daarna worden verleend.

Laatst bijgewerkt 10-08-2018