Haan betekenis & definitie

Haan (De). Onder dezen naam vermelden wij:

Cornelis Janszoon de Haan, gewoonlijk 't Haantje genaamd, een Nederlandsch zeeheld. Hij was geboren te Amsterdam in de 2de helft der 16de eeuw en streed vooral tegen de roofschepen van Duinkerken. Zelfs strekte hij zijne togten uit tot in de Middellandsche Zee. In 1633 door 2 Duinkerker schepen aangevallen, schoot hij het eene in den grond en joeg het andere op de vlugt, doch verloor zelf hierbij het leven.

Johan de Haan, de telg van een aanzienlijk geslacht en geboren te Delft in 1560. Hij studeerde buiten ’s lands in de regten en vestigde zich als advocaat eerst te ’s Hage en vervolgens te Amsterdam, waar hij in 1599 secretaris werd der Admiraliteit. In die betrekking volbragt hij zijne pligten met zooveel ijver, dat hij zich in 1603 benoemd zag tot pensionaris van Haarlem. Hij koos in 1618 de zijde van Oldenbarneveldt, en ijverde ten gunste der Remonstranten, waarop hij zijn ambt verloor en in 1619 het land verliet. Weldra werd hij ingedaagd en, toen hij niet verscheen, voor 15 jaar op lijfstraf gebannen met verbeurdverklaring van de helft zijner goederen. Vruchteloos zocht hij zich in een geschrift te verdedigen, — vruchteloos beriep hij zich op zijne voorregten als burger van Haarlem; het vonnis werd nog verzwaard, en een jaar later beschuldigde men hem daarenboven van majesteitsschennis. De Haan werd toen geheimraad van den Hertog van Holstein, woonde op het slot Tonningen, en overleed aldaar den 5den November 1624. Zijne weduwe en kinderen zagen zich na den dood van prins Maurits in het bezit der verbeurdverklaarde eigendommen hersteld.

Mattheus de Haan, een Nederlandsch staatsman. Hij werd geboren in 1663 en begaf zich naar Batavia met zijn vader. Toen deze weinige dagen na zijne aankomst overleden was, ging Mattheus naar Soeratte, waar hij in 1695 bevorderd was tot commies. Een jaar later keerde hij naar Batavia terug, waar hij achtervolgens aanzienlijke betrekkingen bekleedde en in 1725 tot gouverneur-generaal benoemd werd. Hij overleed aldaar den lsten Junij 1729.

Pieter de Haan, een verdienstelijk Nederlandsch schrijver over handelszaken en koloniale aangelegenheden. Hij werd geboren te Amsterdam den 18den Julij 1757 , stichtte in 1806 een handels- en bankierskantoor in zijne geboorteplaats, doch aanvaardde in datzelfde jaar de betrekking van chef der afdeeling voor de algemeene handelszaken bij het ministérie van Marine en Koloniën, kocht in 1809 eene lakenfabriek te Leiden, en nam in 1823 afscheid van de fabriekzaak, om zich aan de beoefening der letteren te wijden. Hij was lid der Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden, en overleed aldaar den 5den Januarij 1833. Van zijne geschriften noemen wij : „Gedachten over den China-handel en den thee-handel (1824)”, — „Ernstige beschouwing van de mogelijke gevolgen van de oprigting der Nederlandsche Handelmaatschappij (1824)”, — „Crawfurd, de Indische Archipel (1823—1825, 3 dln)”, — „Het Handelstelsel van Java met koophandel en scheepvaart en fabriekstaat van Nederland in verband gebragt (1825)”, — „De grondslagen der Maatschappij, door Droz (1826)”, — „De invoer van thee ter overweging voorgesteld (1827)”, — „Schetsen van de landelijke administratie van Java (1829)”, — „Koloniaal bezit en handel in verband gebragt met de afscheiding van België van Holland (1831)”, —en een aantal opstellen in het tijdschrift „Hennes”.

Willem de Haan, een zoon van den voorgaande. Hij werd geboren te Amsterdam den 7den Februarij 1801, studeerde te Leiden in de wis- en natuurkunde, zag zijn antwoord op eene académische prijsvraag bekroond en promoveerde er in 1825 met eene dissertatie „Monographiae Ammoniteorum et Goneatiteorum specimen”. Reeds in 1822 was hij benoemd tot custos voor de week- en straaldieren aan ’s Rijks muséum te Leiden, en in 1827 zag hij zich aldaar aangesteld tot conservator voor de ongewervelde dieren. Gedurende 20 jaar bekleedde hij die betrekking op eene loffelijke wijze. Toen noodzaakte eene smartelijke ongesteldheid hem tot het vragen van een eervol ontslag, waarna hij in 1848 naar Haarlem vertrok, alwaar hij den 15den April 1855 overleed. Hij was lid van een groot aantal geleerde genootschappen en heeft zich bekend gemaakt door de uitgave van verschillende belangrijke werken, zooals: „Recherches sur l’anatomie et les métamorphoses de différentes espèces d’insectes, ouvrage posthume de Lyonet (1832)”, — „Fauna Japonica, sive descriptio animalium, quae ... collegit... de Siebold (1835”, — en schreef: „Mémoires sur les métamorphoses des coléoptères (1836)”, — benevens verhandelingen in de „Bijdragen” van van Hall, Vrolik en Mulder.

David Bierens de Haan, een Nederlandsch wiskundige en een kleinzoon van den voorlaatste. Hij werd geboren te Amsterdam den 3den Mei 1822, studeerde te Leiden in de wis- en natuurkunde en verwierf in 1847 den doctorsrang op eene dissertatie „De lemniscata Bernouillana”. In 1848 werd hij docent in de wiskunde aan het gymnasium te Deventer, — later schoolopziener en lid van den gemeenteraad aldaar, en zag zich in 1863 benoemd tot hoogleeraar in de wiskunde te Leiden. Hij aanvaardde die betrekking met eene redevoering „Over de magt van het onbestaanbare”, bekleedde van 1872 tot 1873 aldaar het rectoraat, en hield bij zijne aftreding eene Latijnsche oratie „Over de lotgevallen der Leidsche Hoogeschool”. Van zijne geschriften vermelden wij: „Betrekking tusschen meetkunde en getallenleer (1862)”, — „Iets over het gymnasium te Deventer (1852)”, — „Leiddraad bij onderwijs in de vormleer (1858)”, — „Schoolkaart van Overijssel”, — Schrön, Logarithmentafels”, — „Sommaire de l’exposé de la théorie des intégrales définies”, — „Gedachten over het ontwerp van wet op het Middelbaar Onderwijs (1862)”, — „Het wetsontwerp op het Middelbaar onderwijs (1862)”, — „Smaasen, hoogere algebra”—en „Lacroix, meetkunde (onderscheidene uitgaven)”,—„Nouvelles tables d’intégrales définies (1867”, — „Overzigt der differentiaal-rekening”, — „Verdam geschetst”, — en „Overzigt der vlakke driehoeksmeting”. Voorts schreef hij een groot aantal belangrijke opstellen in de „Werken der Koninklijke Académie van Wetenschappen”, — in het „Album der Natuur”, — „De Gids”, — de „Vaderlandsche Letteroefeningen”, — het „Tijdschrift van Sloet van Oldhuis”, — „Grünert’s Archiv für Mathematik und Physik”, — „Crelle’s Journal für Mathematik”, alsmede in Fransche, Engelsche en Italiaansche tijdschriften.

Binnen- en buitenlandsche geleerde genootschappen hebben zich beijverd, dezen verdienstelijken man onder hunne leden op te nemen, zooals de Koninklijke Académie van Wetenschappen, de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen, het Utrechtsch, Bataafsch en Zeeuwsch genootschap, het wiskundig genootschap „Een onvermoeide arbeid komt alles te boven”, de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te Leiden, de Keizerlijke Académie te Kazan, de Académie des Sciences te Toulouse, die hem met hare gouden medaille begiftigde, het Istituto Reale te Venetië , de Britisch Association for advancement of Science, en het Deensch Genootschap van Wetenschappen.

Laatst bijgewerkt 08-08-2018