Biljart betekenis & definitie

Biljart, afkomstig van het Fransche woord bille (bal). Onder de spelen, die tot afwisseling moeten dienen voor vermoeijende beroepsbezigheden, bekleedt ongetwijfeld het biljartspel met het verouderde of minder ge­bruikelijke maliën, kolven, kegelen enz. een hoogen rang, omdat het niet alleen beweging des ligchaams, maar ook eene groote mate van overleg en behendigheid vereischt.

Geen won­der derhalve, dat het algemeen is verspreid en dat koffijhuis- en logementhouders zich gaarne de aanzienlijke kosten van een goed biljart getroosten, wél wetende, dat het eene hooge rente oplevert. Het is te betreuren, dat in den regel alleen mannen het voorregt genieten van het biljartspel, daar het even­zeer geschikt is voor het schoone geslacht.

Niets is gemakkelijker te verkrijgen dan de kennis der regelen van het biljartspel. Het is niet moeijelijk te begrijpen, hoe men de ballen moet voortstuwen, om deze in eene bepaalde rigting te doen voortloopen. Men is echter eerst na eene langdurige oefening in staat, om die regelen in practijk te bren­gen, om de kennis, die men omtrent de beweging der ballen bezit, naar behooren toe te passen. Het spreekwoord zegt, dat men eerst na het verlies van een hoedvol kwartguldens een redelijk biljartspeler kan worden. Wij zullen dus hier geene breed­voerige aanwijzingen geven van iets, dat door de practijk moet geleerd worden, maar enkel de natuurkundige regels bespreken, volgens welke zich de ballen in verschillen­de omstandigheden bewegen.

De inrigting van het biljart is bekend.

Het bestaat gewoonlijk uit een langwerpig vier­kant, volkomen waterpas gelegen, met laken bekleed blad, omzoomd door veerkrachtige banden, waarop de ballen afstuiten, die an­ders van het blad zouden rollen. De ballen zijn van ivoor, eene uiterst veerkrachtige stof, waarop een schok of stoot slechts een oogenblik een indruk kan maken, daar de bal aanstonds zijn ronden vorm herneemt. Men bemerkt dit als men in elke hand een biljartbal houdt en deze tegen elkander slaat; dan springen de armen van een. Het voort­stuwen der ballen geschiedt met eene queue of regten stok, die van onderen vrij dik en zwaar is en, naar boven allengs dunner wordende, aan den top met een veerkrachtig dopje of pommerans voorzien is. Bij het ge­bruiken daarvan legt men gewoonlijk de linkerhand op het biljart en doet de holte tusschen duim en wijsvinger tot steun die­nen voor de queue, terwijl men met de regterhand den stoot toebrengt. Ligt de bal ver van den speler, dan kan hij den bok tot steun gebruiken. Men neemt ook wel de queue los in de hand, eene wijze van voort­stuwen , die den naam draagt van à pistolet.

De wetten, die op den schok van veer­krachtige ligchamen betrekking hebben, zijn zeer eenvoudig, en wij kunnen ze, met betrek­king tot de biljartballen, op deze wijze voor­stellen: Treft een bal A (fig. 1) een stil liggenden B van gelijke massa volgens de lijn, die beider middelpunten verbindt, dan is de schok of stoot een centrale of regte, en het gevolg er van is, dat A dadelijk vóór B blijft liggen en zijne beweging op dezen bal over­brengt, zoodat B naar B1 voortrolt, — raakt de bal a (fig. 2) den volkomen effen en veerkrachtigen band B, dan wordt liij door dezen onder denzelfden hoek en met dezelfde snelheid teruggeworpen, waarmede hij den band bereikte, zoodat a = b en a' = b' is, — treft A (fig. 3) den stil liggenden bal B niet volgens de lijn, die de middelpunten vereenigt, maar ter zijde, dan wordt B voort­gestuwd in de rigting der lijn al, die de middelpunten der ballen op het oogenblik van den schok verbindt, terwijl A zoodanig teruggeworpen wordt alsof hij langs de lijn C op een veerkrachtigen band stuitte, dus in de rigting van d. Hieruit volgen deze regels:

1. Omtrent het snijden. Wil men den bal A (fig. 4) van B in den hoekzak B spelen, dan denke men uit het midden der opening van den zak door het middelpunt van A eene regte lijn, en men zoeke B zoodanig voor­waarts te stuwen, dat hij A in b — in het uiteinde dier lijn — treft.
2. Omtrent het doubléren. Moet A (fig. 5) door de veerkracht van den band E F de zak C gedoubleerd worden, dan diene men hem zóó te treffen, dat hoek a = hoek b wordt. Dit is moeijelijker dan snijden, omdat het oog nu een vast punt mist. Hierbij kan men echter de verbeelding te hulp roepen: men denke naast het biljart I nog een an­der II, en nu behoeft men A slechts zóó te spelen, alsof men hem in de hoekzak D wil snijden.

De biljartballen volgen bij het terug­kaatsen dezelfde wetten als het licht, —als de band E F een spiegel was, zou men het spiegelbeeld van C op de plaats waarnemen, die men in het oog zou moeten houden, om den bal A naar C te doubleren. Men kan zich hiervan vergewissen door eene schuttersproef: A B (fig. 6) zij de effene opper­vlakte van een vrij breeden stroom. Bij C bevindt zich de schutter en bij B de schijf S. Wanneer men nu uit C deze laatste met een ricochetschot treffen wil, dan behoeft men slechts het geweer te rigten op de plek C, waar zich het spiegelbeeld S’ van de schijf in het water vertoont.

Omtrent het tripléren of quadrupléren. Een getripleerde bal treft tweemaal en een ge- quadrupleerde driemaal den band vóórdat hij het doel bereikt. Volgens eenvoudige wis­kunstige regelen moet, op grond der reeds vermelde wetten van de botsing der veer­krachtige ligchamen, bij het tripléren (fig. 7) het derde gedeelte van den weg (c d) steeds evenwijdig wezen aan het eerste (a b), en bij het quadrupléren (fig. 8) het derde (c d) evenwijdig aan het eerste (a b) en het vierde (d e) evenwijdig aan het tweede (b e). De ervaring leert, hoe men door tripléren en quadrupléren zijn doel bereiken kan, — tot toelichting diene intusschen het volgende: gelijk men bij het doubléren zich twee bil­jarten voorstelt met de zijden naast elkander geplaatst, zoo verbeeldt men zich bij het tripléren twee biljarten, die elkander met hunne hoeken aanraken, — en bij het qua­drupléren nog een derde naast dit tweede geplaatst, waarna men viseert op den overeenkomstigen (in de verbeelding bestaanden) zak. Wil men nu den bal a (fig. 7) gedou­bleerd in b op den band A B en getripleerd in c op den band B C naar d brengen, dan visére men zóó, alsof men a wil snijden naar de plek o van een aan den hoek aan­sluitend tweede biljart.

Hij volgt dan den weg, die door de lijnen is aangewezen. Hier­door blijkt, dat de lijn o m eene grenslijn is, want ter regterzijde van deze kan geen bal op de aangeduide wijze worden getripleerd; dat is alleen mogelijk voor ballen, tusschen die lijn en den hoek A gelegen. De lijn o m loopt niet door den hoek, maar door de plek, waar de band afgerond is, om de opening voor den zak te vormen. De bal i, in de rigting van o voortgestuwd, zou de ronding treffen, en dus niet aan den regel beant­woorden. De bal r, nog verder naar de zijde van C gelegen, zou den band A B in het geheel niet meer treffen en kan dus op voor- schrevene wijze niet naar d getripleerd wor­den; wél echter, zoo hij eerst den band B C mag raken en dan A B. Als men dan weder het oog vestigt op o, zal de bal r volgens de getrokkene lijnen r s u d het doel berei­ken. Voor dit tripléren is o n de grenslijn.

Om een bal naar den hoek D te tripléren, mikke men op den hoekzak o' van het verbeeldingsbiljart, dan raakt hij in h en g de banden en komt ter bestemder plaats. Bij het quadrupléren volgt men eene dergelijke me­thode. In fig. 8 zien wij, hoe wij ons de beide toegevoegde biljarten moeten voorstel­len, om het quadrupléren in snijden te ver­anderen. Om bijvoorbeeld a naar e te bren­gen , viseert men naar o, De lijn o m is ook hier weder de grenslijn; de ballen, naar de zijde van C gelegen, zijn te maken, en de overige niet. Om q naar de hoek C te qua­drupléren, ture men naar den hoekzak o' van het tweede verbeeldingsbiljart, en de bal doorloopt den weg q u w x C.

Is het doubléren reeds moeijelijk, nog veel lastiger is het tripléren en quadrupléren, en er zijn weinig spelers, die fantazie en oefe­ning genoeg bezitten, om zich in de ruimte of welligt door meubels en muren heen een punt te denken, waarop zij het oog vesti­gen. Toch is het van belang, om deze regels in het geheugen te prenten, als men geene pogingen tot tripléren of quadrupléren wil doen, waar het door de onuitvoerbaarheid verboden wordt. Dat snijden gemakkelijker is dan doubléren, dit laatste gemakkelijker dan tripléren enz., leert de ervaring zeer spoedig. De oorzaak daarvan Iaat zich ligt doorgronden. Een blik op fig. 9 leert ons, dat de kans om het doel te treffen geringer wordt naarmate de bal vooraf met meer ban­den in aanraking komt.

Als de bal a aan den band A B het punt b treft, volgt hij met herhaalde botsingen den weg a b c d e. Maakt men eene kleine fout, dan volgt hij de gebrokene lijn a f g h i. Wij zien, dat de overeenkomstige punten der doorloopene wegen zich na elke botsing meer van elkan­der verwijderen; de afstand ƒ b boven aan den band is veel kleiner dan die onder aan den band e i. Is een bal niet volkomen juist getroffen, zoo kan bij het snijden eene ruime zakope­ning hulp bieden, maar bij doubléren enz., wordt de fout zóó groot, dat ook zulk eene gunstige omstandigheid geen baat geeft.

Wij komen thans tot een ander, zeer gewigtig punt, waarop men naauwkeurig let­ten moet, indien men goed wil spelen, na­melijk op de draaijing der ballen gedurende hun loop. Wanneer men een bal over het biljart voortstuwt, loopt hij gewoonlijk voor­waarts als het rad van een wagen en komt na eene omwenteling zoo ver vooruit als een groote cirkel van den bal lang is. Dit is een gevolg der wrijving, die hij op het biljart­laken ondervindt; bestond deze niet, dan zou hij er overheen glijden als eene slede over het ijs. Deze wrijving is ook oorzaak van het verschijnsel, dat men een bal, door hem eene bepaalde draaijing mede te deelen, voorwaarts kan doen loopen, hoewel hij geene voortstuwing naar dien kant ont­vangen heeft. Zijne rigting is dan afhanke­lijk van de gedwongene omwenteling.

Geeft men bijvoorbeeld aan den bal A (fig. 10) in de rigting van de pijl a met de hand een slag van boven naar beneden , dan draait hij rond in de rigting van de pijl b en rolt weg in de rigting van c. Bij eene tegenoverge­stelde omwenteling (A') snelt hij naar de andere zijde. Bene dergelijke omdraajjing nu deelt men bijna eiken bal mede, als men hem treft met de queue, terwijl deze niet hori­zontaal en op het middelpunt van den bal gerigt is. Wordt hij boven het middelpunt getroffen (fig. 11), dan snelt hij voorwaarts met eene omwenteling, door de rigting van de pijl aangewezen.

Daar de omwenteling hier geschiedt in de rigting van het doelwit, ontvangt de bal daardoor de grootste snel­heid, eu men geeft aan zulk een stoot den naam van doorschieten. Bij het trekken raakt men den bal beneden het middelpunt met een zooveel mogelijk seheefgehoudene queue (fig. 12). Wanneer deze goed met krijt aange­streken en de stoot snel en sterk is, kan men aan den bal eene achterwaartsche beweging geven. Daarenboven kan men den bal ook nog ter zijde van het middelpunt raken, zooals in de fig. 13 en 14 is aange­wezen.

In dit geval verkrijgt de bal tevens eene beweging om zijne loodregte as, die zich met de rollende omwenteling tot eene scheeve om eene hellende as vereenigt. De uitwer­king van zulke gewijzigde stooten komt, indien de aangewende kracht groot genoeg is, dan eerst te voorschijn, wanneer de bal den band of een anderen bal raakt. Onder­stellen wij bijvoorbeeld, dat de bal a (fig. 15) door een schuinsen stoot op de regterzijde vol­gens a b naar den band wordt gestuwd en gedu­rende zijn loop om de as c wentelt, dus iu de rigting van de pijl — hetgeen langs den geheelen weg tot in b geschiedt. In b geko­men, ondergaat hij bij de terugkaatsing eene wrijving, waardoor die zijdelingsche draaijing zich duidelijk vertoont, want nu zal de bal door die wrijving gedwongen worden om eenigzins langs den band te rollen.

De rig­ting, waarin dit geschiedt, wordt door die der omwenteling bepaald. In het gegeven geval loopt hij naar ƒ. Hier werkt alzoo op den bal eene kracht, die hem naar ƒ zoekt te stuwen, maar eene tweede kracht dringt hem om zich naar e h te spoeden. De wer­kelijke rigting, dien hij volgen zal, is dus afhankelijk van het betrekkelijk bedrag dier beide krachten. Is de draaijing in verhou­ding tot den stoot gering, dan zal ook de kracht, die hem naar ƒ voortstuwt, in ver­houding van die, welke hem naar h drijft, zeer klein wezen, en hij zal de rigting e g volgen. Is de draaijing sterk, bijvoorbeeld zoo groot, dat zij, bij b te voorschijn tre­dende, den bal tot k (fig. 16) kan voortstu­wen, terwijl de stoot slechts zwak is, dan volgt de bal den weg e m. Hierdoor kan men den dikwijls zonderlingen loop verklaren van ballen, die niet in het middelpunt getrof­fen zijn.

De uitwerking van het doorschieten en trekken openbaart zich vooral, wanneer de ballen elkander raken. Wij hebben gezien, dat de voortgestuwde bal bij een stoot in het middelpunt dáár blijft liggen, waar hij den anderen bal raakt (fig. 1). Dit heeft ech­ter zelden plaats, want men geeft door de queue bijkans altijd aan den bal eene wen­telende beweging, die hij na de botsing met den tweeden bal behoudt. Door te trekken (beneden het middelpunt te raken) kan men echter dat doel bereiken, maar slechts ge­oefende spelers zijn in staat, om die rug- waartsche omwenteling zoo sterk te maken, dat zij na de botsing voortduurt, zoodat de bal terugkeert.

Ook twee botsende ballen deelen elkander doorgaans eene omwenteling mede, die tot vele schijnbare onregelmatigheden aanleiding geeft. In fig. 17 zien wij een doublé naar den hoekzak e, en een anderen naar den hoekzak e'. Beide zijn geene volle maar snijdoublés, bij welke de bal (b b') niet in de rigting van het middelpunt maar iets ter zijde moet geraakt worden. Hierdoor ont­vangen de beide ballen eene omwenteling in de rigting der pijlen, en daar wij gezien hebben (fig. 15 en 16), dat zulke ballen de neiging bezitten om langs den band te loopen, zal de terugkaatsing hier niet vol­komen zuiver zijn.

Die fout zal te grooter wezen naarmate de draaijing sterker was, en dit hangt af van de kracht der botsing, alzoo van die van den stoot. Om die reden mag een doublé niet te sterk gespeeld wor­den. In de figuur zien wij, dat de ware weg der ballen c i en c' i' is. Hoe voller men spelen kan, des te geringer is de fout.

Hierin ligt ook de oorzaak van het ver­schijnsel, dat triplé’s en quadruplé’s nog wel eens gemaakt worden, hoewel zij volgens de boven aangewezene regelen onuitvoerbaar schijnen. Zoo zal in fig. 8 de bal k, buiten de grenslijn gelegen, nog naar e snellen, wanneer de bal p van den speler dien be­hoorlijk aan de zijde raakt; dan springt Tc in de rigting k r s v e terug en bereikt zóó zijn doel. Wanneer zulke stooten gelukken, geschiedt zulks meest toevallig, tenzij de speler zóó ervaren is, dat hij naauwkeurig de vereischte kracht weet aan te wenden en de gevorderde rigting te kiezen. Een middelmatige speler zal dan alleen zich wa­gen aan triplé’s en quadruplé’s, wanneer hij gelegenheid heeft, om den bal vrij vol te raken.

Eene andere oorzaak van het verschijnsel, dat de bal bij een doublé wel eens een ge­heel anderen loop neemt, dan men verwacht, is gelegen in de middellijn der ballen. In fig. 18 moet a door b naar den hoekzak e gedoubleerd worden. Volgens den door ons gestelden regel zal men het oog vestigen op o; dan raakt de bal in m den band en snelt van hier naar e. Doch neen — daar de bal eene zekere dikte bezit, loopt hij niet tot m, maar komt reeds bij m' met den band in aanraking en rolt derhalve naar r. Daarom ziet men een doublé dikwijls mislukken.

Het is alsof de band zooveel naar voren ware gebragt als de middellijn van den bal lang is. Daarom moet men eigenlijk niet naar o maar naar o' viséren, of naar een punt, dat dub­bel zoo ver van e verwijderd is als het punt v: dan raakt o, in m" den band en verdwijnt vervolgens in den hoekzak. Is de doublé niet het gevolg van een vollen stoot, maar van een schuinsen, dan verkrijgt a daar­enboven eene wenteling, die desgelijks werkt, om zijn loop korter te maken (m’ s). Die twee omstandigheden vereenigen zich dus om een stoot te doen mislukken, die voor ’t overige met vaardigheid was uitgevoerd. De fout wordt te grooter naarmate de bal­len meer omvang hebben en naarmate de doublé minder vol gespeeld moet worden.

Een veelvuldig voorkomend verschijnsel is het klotsen (fig. 19). Wanneer men een bal a, die zich digt bij den band bevindt, naar den benedenhoek wil doubléren en hem te vol raakt, dan komen de beide ballen, nadat a van den band is teruggekeerd, nog­maals met elkander in aanraking. Ziedaar wat men klotsen noemt. De beide tijdperken van zulk een voorval zijn op onze figuur

afzonderlijk voorgesteld: a' is op den terugtogt en b' desgelijks. Daar echter de bal veel van zijne snelheid verloren heeft, wordt hij door den ander, die op weg is naar o, ingehaald. Door de botsing aan b' ontvangt hij een nieuwen schok in de rigting a e en ziet nu, door twee krachten voortgestuwd, zijne oorspronkelijke rigting aanmerkelijk gewijzigd, — en deze wijziging is wel eens in staat om a naar den hoekzak te brengen.

De bal b heeft nu in den regel slechts eene zeer geringe snelheid van den oorspronkelijken schok overgehouden en zal dus hoofd­zakelijk de rigting van den nieuwen schok volgen. Deze beweging bestaat echter, vooral dan wanneer de bal sterk aan de zijde ge­raakt wordt, in eene draaijing, welke hem volgens eene kromme lijn verder stuwt, zoodat het soms gebeurt, dat hij tegelijk met den gemaakten bal, maar in den ande­ren hoekzak verdwijnt. De onregtmatige blijd­schap van den speler wegens een voordeelig klotsen wordt hierdoor wel eens verbitterd.

De wenteling, die twee ballen bij hunne ontmoeting elkander mededeelen, is vooral van belang bij het carambole-spel, waarbij de speler met zijn bal de beide overige, op het bil­jart aanwezige ballen raken moet. In fig.3 heb­ben wij de terugkaatsing in den zuiversten vorm voorgesteld, maar bij het biljartspel mogen wij niet rekenen op eene volkomene toepas­sing der wetten, die de botsing van veer­krachtige ligchamen beheerscht. Door den excentrischen (buiten het middelpunt aangebragten) stoot kan de geoefende speler be­wonderenswaardige caramboles maken. Wij hebben er in fig. 20 en 21 voorgesteld. De speler moet met b den bal a in den middel­zak brengen en met c caramboléren. Treft men b bij het stooten in het middelpunt, dan behoeft men aan geene carambole te denken, want hij zal zich na de botsing bij a in de rigting van d verwijderen; maar wanneer men nu b schuins raakt, zoodat hij eene wenteling aanneemt in de rigting van de pijl, dan ontvangt hij door de wrijving met a eene kracht, die hem in de rigting van e zoekt voort te stuwen.

Geeft men te­vens effect aan den bal b door te trekken, dan wordt de beweging in de rigting van d geheel opgeheven en hij snelt naar c. Geheel anders is de uitwerking van het doorschieten; dan behoudt b na de botsing met a de nei­ging om in de oorspronkelijke rigting voort te loopen. Door handigheid in het doorschie­ten wordt menige carambole gemaakt. Een merkwaardig geval is voorgesteld in fig. 21. Men geeft aan a een zachten stoot om door te schieten, dan wordt b langzaam voortge­schoven in de rigting b e, en a loopt niet, zooals men verwachten zou, naar d, maar naar e en raakt c op dezen togt.

De speler kan derhalve aan zijn bal allerlei rigtingen en bewegingen mededeelen en hier­door het verloopen vermijden. Moet m (fig. 21) van n zonder te verloopen in den hoekzak gesneden worden, dan schiet men door, zoodat n zich beweegt langs de gebrokene lijn r s t u. Bij minder sterke draaijing volgt lij de rigting w v x en kan op die wijze nog caramboléren.

Het biljart is in ons Vaderland in den regel vierkant en met groen laken bekleed. De meesten zijn van 4 hoek- en 2 middel­zakken voorzien, terwijl deze laatste ook wel eens ontbreken. Meer en meer komen intusschen biljarten in gebruik zonder zak­ken , derhalve uitsluitend voor het carambolespel bestemd. Men heeft aan het biljart wel eens een anderen vorm gegeven; daarvan schijnt de zeskantige het best te voldoen.

Het aantal ballen, bij het spel gebruikelijk, is doorgaans 3, namelijk 1 roode en 2 witte. De queuën moeten volkomen regt en aan den top met zeer veerkrachtige dopjes voorzien zijn. Gewoonlijk speelt men partij, dat wil zeggen, twee per­sonen zoeken, elk met zijn bal om beurten spelende, de twee andere--ballen te maken of daarmede te caramboléren; het maken van den bal der tegenpartij geldt voor twee, van den rooden bal voor 3 en van eene ca­rambole voor twee punten. Verloopen kost 2 of 3 punten — naar mate men bij het spelen op den witten of rooden bal verloopt — en het missen van den beoogden bal 1 punt aan den ongelukkigen speler.

Wie het eerst 50 punten verkrijgt, is de winner, mits het laatste punt of de 2 laatste punten door eene carambole verworven zijn. Dikwijls spelen twee personen enkel carambole.

Het potspel wordt door een onbepaald aan­tal personen met 2 ballen gespeeld. Ieder speler krijgt zijne beurt in eene doof het toeval bepaalde volgorde en doet zijn best om met zijn bal den tweeden bal in een der zakken te stuwen. Gelukt dit, dan ontvangt zijn voorganger een streepje, en deze is bij 3 of 4 streepjes dood. De langst overblijvende ontvangt den inzet.

Aangenamer is het, met fiches te spelen. Elke speler koopt bijvoor­beeld 5 fiches, en al die fiches komen in een gemeenschappelijken pot. Het spel neemt een aanvang, en ieder die eene carambole maakt, ontvangt een fiche, hetwelk het gel­delijk bedrag vertegenwoordigt, daarvoor bepaald. Op deze wijze blijven allen tot het laatst toe aan het spel deelnemen.

Het Caroline- of eigenlijk caramboline-spel, hetwelk door 2 personen met 5 ballen ge­speeld wordt en eene groote kunstvaardigheid vereischt, is minder algemeen in gebruik.

Het vervaardigen van biljarten en van alles, wat daartoe behoort, is in onzen tijd een belangrijke tak van nijverheid, dien men in ons werelddeel bijna in geene stad van eenig belang vruchteloos zoekt.