Groote betekenis & definitie

Groote (Geert of Gerard) of Geert Groote (Gerardus Magnus), een uitstekend Nederlandsch godsdienstleeraar, tevens de stichter van eene merkwaardige, naar hem genoemde broederschap, geboren te Deventer, waar zijn vader burgemeester was, in October 1340, oefende zich reeds in zijne jeugd met den meesten ijver en bezocht vervolgens de hoogeschool te Parijs. Na verloop van 5 jaar verwierf hij er den graad van meester in de vrije kunsten (1358), keerde naar zijn Vaderland terug, en begaf zich vervolgens naar de Bisschoppelijke school te Keulen, waar hij lessen opende over de scholastieke wijsbegeerte en de godgeleerdheid en weldra 2 praebenden — eene van Keulen en eene van Aken — verkreeg, zoodat hij als kanunnik onbezorgd kon leven. Terwijl tevens de roem zijner geleerdheid toenam, veranderde hij op eenmaal van weg. Sommigen meenen, dat eene of andere treffende gebeurtenis, — anderen dat een gesprek met Hendrik van Calcar, dien hij te voren te Parijs en te Utrecht had ontmoet, daartoe aanleiding heeft gegeven.

Hoe het zij, hij verbrandde op den Brink te Deventer zijne kostbare boeken en zonderde zich af in het Karthuizer klooster Monnikshuizen bij Arnhem, waar gemelde van Calcar de betrekking van prior bekleedde. Voorts bezocht hij in 1378 de kloosters in Gelderland en Brabant welke om de vroomheid hunner bewoners beroemd waren. Zoodoende vertoefde hij eenige dagen bij Johannes Ruysbroek, prior van de Augustijner monniken te Groenendaal bij Brussel, een vroom en welsprekend leeraar, die reeds den 84-jarigen ouderdom bereikt had. Hierop ging hij naar Parijs, waar hij eenige nuttige boeken kocht, en vestigde zich daarna te Deventer, om zich geheel aan het leeraarsambt en het onderwijs te wijden. Met vuur. ijverde hij tegen de bedelmonniken en tegen alles, wat verkeerd en misdadig was, en de kring zijner hoorders groeide van dag tot dag. Nu trok hij als een boetprediker het land door, allen roepende tot berouw en bekeering. Daar hij de geestelijkheid niet spaarde, wist deze bij den Bisschop van Utrecht te bewerken, dat hem de prediking verboden werd. Toen zijn bescheiden protest bij den Bisschop niet baatte en de tusschenkomst van den Paus vruchteloos was ingeroepen, onderwierp Geert Groote zich aan het besluit van den Kerkvoogd, ja, verhinderde een oproer, hetwelk deswege dreigde uit te barsten.

Van dien tijd af bepaalde hij zich geheel en al bij het onderwijs, en met zijn vriend en leerling Florentius Radewijn werd hij dé grondlegger eener Broederschap, die onberekenbaar veel goeds heelt gesticht. Niet lang echter mogt hij daartoe medewerken. In 1384 heerschte de pest te Deventer, en toen een zijner vrienden door die vreeselijke ziekte werd aangetast, beijverde hij zich, om hem te verplegen. Hij werd echter het slagtoffer van zijne edelmoedigheid en bezweek zelf aan die kwaal op den 20sten Augustus van laatstgenoemd jaar. Hij werd in de Lieve-VrouweKerk ter zijde van het hoogaltaar begraven; later echter bragt men zijn gebeente over naar de woning van Florentius Radewijn. Hier is het den 26sten April 1697 gevonden en ten geschenke afgestaan aan Hermannus Petri, pater der Broeders van het Gemeene Leven te Emmerik.

Geert Groote was niet alleen een ijverig prediker, maar ook een vruchtbaar schrijver. Slechts weinige werken van zijne hand werden gedrukt, maar vele van zijne handschriften bevonden zich vóór den aanvang van den Tachtigjarigen Oorlog in de boekerijen der kloosters, en thans nog vindt men er in de académische bibliotheken te Utrecht, te Groningen en te Leiden, alsmede op de Koninklijke bibliotheek te ’ Hage, alwaar men een bundel brieven van zijne hand aantreft, van welke een zestiental door J. G. B. Aquoy is uitgegeven. Hieruit blijkt, dat Geert Groote volstrekt niet behoorde tot de hervormers van de kerkelijke leerstellingen, maar tot de kettervervolging ijverig medewerkte. Ook te Straatsburg en Hannover schijnen handschriften van hem aanwezig te zijn. Het weinige, dat gedrukt werd, draagt de volgende titels: „Publica protestatio de veridica praedicatione Evangelii quod praedicavit (1660)”, — „Conclusa et proposifa non vota, in nomine Domini a Magistro Gerardo edita”, — en „De sacris libris studendis”, — waarbij men welligt kan voegen het „Cordiale” of „Quatuor novissima”, dat wel eens aan hem wordt toegeschreven, maar eigenlijk het werk is van Gerardus a Vliederhoven. De handschriften zijn blijkens hunne titels meerendeels van kerkelijken en stichtelijken inhoud.