Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 12-01-2018

Autocratie

betekenis & definitie

Autocratie beteekent zoowel zelfbeheersching als alleenheerschappij. De wijsgeerige zedekunde gebruikt het woord vooral in den eertstgemelden zin. Kant duidt er de heerschappij van den wil over de neigingen en hartstogten door aan, het bestuur van den mensch over zichzelven. — In het staatsregt is de autocratie de regeringsvorm, waarbij het opperhoofd van den Staat de wetgevende en uitvoerende magt in zich alleen vereenigt, zoodat hij alleen heerschappij voert.

Een vorst met zulk eene absolute magt bekleed, heet een autocraat. Die onbeperkte monarchie is in het oosten de algemeene regeringsvorm; in Europa voert alleen de keizer aller Russen den titel van autocraat (Samodersjètz). In figuurlijken, overdragtelijken zin noemt men in het dagelijksch leven dengene autocraat, die er op gesteld en gewoon is om in alle zaken zijn wil alleen te doen gelden en door te zetten, zonder daarbij te letten op den raad of de medewerking van hen, die in eene of andere betrekking geroepen zijn tot die zaken mede te werken, en die althans evenveel regt hebben, om hunne gevoelens en meeningen daaromtrent te openbaren, opdat ook op deze bij de uitvoering der zaken moge gelet worden.