Wat is de betekenis van autocraat?

2020
2021-09-26
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

autocraat

Het begrip autocraat heeft 2 verschillende betekenissen: 1) vorst die in zijn gebied de onverdeelde heerschappij voert en met onbeperkte oppermacht regeert; alleenheerser. 2) eigenmachtig optredend persoon. iemand die eigenmachtig optreedt en zijn eigen wil oplegt.

Lees verder
2019
2021-09-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

autocraat

autocraat - Zelfstandignaamwoord 1. (politiek) iemand die de alleenheerschappij voert Woordherkomst met het voorvoegsel auto- met het achtervoegsel -craat

Lees verder
2011
2021-09-26
Bedrijfskunde Integraal

Bedrijfskunde Integraal

autocraat

Typisch autoritaire leidinggevende (letterlijk eigenmachtig).

1994
2021-09-26
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Autocraat

[Gr. autokratès = zijn eigen heer, onafhankelijk] absoluut heerser; eigenmachtig iem.

1993
2021-09-26
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Autocraat

(autokraat) alleenheerser; eigenmachtig persoon

1981
2021-09-26
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Autocraat

alleenheerser. Autocratie is de bestuursvorm, beheerst door een boven de leden van de groep staande macht. De leiding, bestaande uit één of meer personen, verenigt in zich de gehele staatsmacht, zonder verdere controle.

Lees verder
1973
2021-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Autocraat

[Gr. autos, zelf, kratos, macht], m. (-craten), 1. alleenheerser; 2. (fig.) iemand die alleen zijn eigen wil tracht te doen gelden; eigenmachtig optredend persoon.

Lees verder
1955
2021-09-26
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Autocraat

alleenheerser; eigenmachtig persoon.

1950
2021-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Autocraat

(<Gr.), m. (...craten), 1. heerser die alle staatsmacht in zich verenigt; alleenheerser; 2. (fig.) eigenmachtig optredend persoon.

Lees verder
1948
2021-09-26
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

autocraat

m. „zelfbeheerser”, eigenmachtig vorst of persoon.

1916
2021-09-26
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Autocraat

Autocraat - alleenheerscher; iemand, die alles zelf eigenmachtig leiden wil. Autocratie, alleenheerschappij; autocratisch, onbeperkt heerschend, eigenmachtig.

1898
2021-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

AUTOCRAAT

m. (...craten), heerscher die alle staatsmacht in zich vereenigt; alleenheerscher; (fig.) persoon die aan ieder zijn wil tracht op te leggen. AUTOCRATIE, v. onbeperkte heerschappij. AUTOCRATISCH, bn. en bw. de autocratische regeeringsvorm.

Lees verder
1864
2021-09-26
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

autocraat

autocraat - autokraat, m. (autocraten), zelfheerscher, alleenheerser