Antwerpen betekenis & definitie

Antwerpen, voorheen een markgraafschap van het Heilige Roomsche rijk, thans eene Belgische provincie, grenst ten noorden en noordoosten aan Noord-Brabant, ten zuidoosten aan Limburg, ten zuiden aan Zuid-Brabant en ten westen aan Vlaanderen en telt op eene oppervlakte van ruim 51½ □ geogr. mijlen rijkelijk 473.000 inwoners. De bodem bestaat er in het westen en noordwesten grootendeels uit zand, maar is er toch, vooral in de polders, zoo vruchtbaar, dat hij van het gezaaide een 50-voudigen oogst levert.

Ten noorden en noordoosten strekt de zachtglooijende Campine (de Kempen) met hare onafzienbare heidevelden zich uit. De provincie wordt besproeid door de Schelde en de Rupel en is van kanalen doorsneden. Landbouw en veeteelt bloeijen er, de fabrieknijverheid breidt er zich uit, en vooral de handel heeft er een aanmerkelijken trap van ontwikkeling bereikt. Zij zendt 4 leden naar den Senaat en naar de Vergadering van Gedeputeerden. Zij is verdeeld in 3 districten, Antwerpen, Mechelen en Turnhout.

De hoofdstad, die denzelfden naam draagt, is de eerste koopstad des rijks. Zij ligt aan de Schelde, die hier eene breedte heeft van 630 Ned. el, 6 geogr. mijlen ten noorden van Brussel en 9 geogr. mijlen van de Noordzee. Zij telt 120.000 inwoners. Hare voormalige vestingwerken, die zich aansloten aan de Citadel, die door Alva gebouwd (1568) en door Napoleon I vergroot is, zijn thans geslecht, en zelfs de bedoelde Citadel is in dit najaar (1869) verkocht. Thans is Antwerpen op grooten afstand door eene, zich bij de uit deze eeuw dagteekenende Noordercitadel aansluitende, nieuwe enceinte omringd, waarbuiten een gordel van gedetacheerde forten is aangelegd. Hierdoor is de stad herschapen in een algemeen Landsreduit, dat echter nog door werken op den linkeroever der Schelde moet worden verzekerd. Die aanleg, juist niet zeer welgevallig aan de Antwerpenaren, heeft sedert 1855 tal van millioenen gekost, en thans begint men in te zien, dat het beginsel van een eenig hoofdreduit geenszins boven bedenking verheven is.

De stad heeft 2 uren gaans in omtrek. De haven kan er meer dan 1000 schepen bevatten, en de stad is doorsneden van 11 kanalen, waarover 40 bruggen zijn gelegd. Fraai is vooral het gezigt op de stad van de zijde der rivier, waar 8 hoofdkanalen en 3 dokken aan de koopvaarders toegang verleenen tot prachtige en ruime kaden. Het merkwaardigste gebouw is er de hoofdkerk Notre Dame. Zij is in Gothischen stijl opgetrokken (1422-1518) en heeft bij eene lengte van 120 en bij eene breedte van 66 Ned. el eene hoogte van 27 Ned. el. Haar toren verheft zich ter hoogte van 93 Ned. el, en van binnen is zij versierd met beroemde schilderijen van Rubens (de afneming van het kruis, de kruisverheffing en Maria's hemelvaart). Ook de St. Jacobskerk is er allezins bezienswaardig, terwijl zich op de Groote markt het Raadhuis en het schilderachtig Gildehuis vertoonen. Het Muséum, waar het standbeeld van van Dijk verrijst, telt er een aantal kostelijke schilderijen, en de vreemdeling mag er de Beurs, het koninklijk paleis en de Zoölogische tuin niet onbezocht laten. Op de Place Verte staat er het metalen standbeeld van Rubens, dat bijna 5 Ned. el hoog is. Tot de inrigtingen van wetenschap, kunst en onderwijs behooren er de Academie van Wetenschappen, het Gymnasium, de Zeevaartschool, de Geneeskundige school, onderscheidene bibliotheken, en eene Schilderacademie, die reeds in de 15de eeuw onder den naam van Broederschap van St. Lucas is opgerigt. Deze laatste was de kweekplaats van de beroemdste meesters der Vlaamsche school, van welke vele geboren Antwerpenaars zijn, zooals van Dijk, Calvaert, de beide Teniers, Segher, Crayer, Floris en Bril.

Antwerpen is, even als Venetië weleer, tegelijk fabriek- en koopstad. De kantvervaardiging houdt er duizenden handen bezig, de scheepsbouw wordt er op grooten voet gedreven, en de suikerraffinaderijen verschaffen er aan velen het dagelijksch brood. De handel is er zeer aanzienlijk. In 1863 liepen er 2553 schepen binnen met eene ruimte van ruim 600.000 ton. Antwerpen is aan eene groote, bevaarbare rivier gelegen en door kanalen en spoorwegen met de naburige steden en voorts met alle gewesten van Europa verbonden; toch gaat de stad, wat den handel betreft, in de laatste jaren niet vooruit.

Wij vinden Antwerpen het eerst vermeld in eene oirkonde der 8ste eeuw. In de 10de en 11de eeuw was zij reeds eene haven- en handelplaats, en bij den aanvang der 12de waren de Antwerpensche lakens in Frankrijk en Duitschland zeer gezocht. In den tijd der kruistogten was zij na Brugge en Gent de rijkste stad van Vlaanderen. Zij bereikte het toppunt harer handelsgrootheid in het midden der 16de eeuw. In de dagen van Karel V was deze stad de prachtigste der geheele Christelijke wereld. Zij was de stapelplaats van alle begeerlijke goederen, en werd dit nog meer, toen de Portugézen met een schat van Indische waren hare haven bezochten. De meestberoemde handelshuizen uit Florence, Pisa en Genua, zelfs het huis Fugger uit Augsburg, verplaatsten zich derwaarts. De Antwerpensche wisselbrieven werden overal gehonoreerd, en men zeide, dat er in 3 maanden meer zaken gedaan werden dan te Venetië gedurende haren bloeitijd in 2 jaren. Twee- tot derdehalf honderd schepen kwamen er wel eens op denzelfden dag voor de kaden, en meer dan 2000 vrachtwagens verschenen er wekelijks uit Duitschland, Frankrijk en Lotharingen. De buitenlandsche handel vereischte er een kapitaal van 500 millioen goudgulden, de stad zelve telde 4500 eigen schepen, en de bevolking was er bijna dubbel zoo groot als heden ten dage. Het spreekwoord zeide: “De wereld is een ring, en daarvan is Antwerpen de diamant.”

Al die grootheid verdween, toen de vrijheidlievende Nederlanders tegen het laatst der 16de eeuw hunne gehoorzaamheid opzegden aan het onverdraagzame despotismus van Filips II. Antwerpen, door handel en nijverheid ontwikkeld, stond met hare dappere ingezetenen in de voorste gelederen van de strijders voor de onafhankelijkheid. Maar deze stad was de sleutel der Schelde en de zetel van een grooten rijkdom, zoodat de Spaansche magthebbers, zooals Margaretha van Parma en de hertog van Alva, zich door het bouwen van vestingwerken zochten te verzekeren van haar bezit. Toen de Citadel gereed was, veroorloofden zich de Spaansche soldaten allerlei verdrukkingen tegen de vreedzame ingezetenen en rigtten er den 4den November 1576 zelfs een bloedbad aan — bekend onder den naam van “Spaansche furie”—, waarbij het Raadhuis en 600 woningen verbrand en 10.000 burgers in het water gesmoord of met het zwaard gedood werden. Het gevolg van dien gruwel, die in andere steden van Brabant herhaald werd, was de toetreding der Zuidelijke Provinciën tot de Pacificatie van Gent. Door het opofferen van eene groote som gelds gelukte het den Antwerpenaars, zich den 1sten Augustus 1577 van de Spaansche bezetting te ontslaan. Eenige jaren later zocht zich de hertog van Anjou (zie onder dien naam) van Antwerpen, meester te maken, maar de Franschen werden met een verlies van 1500 man uit de stad geworpen.

Eene vreeselijke ramp voor de stad was in de jaren 1584 en 1585 de belegering, die zij van den hertog Alexander van Parma, bevelhebber der Spanjaarden, gedurende 14 maanden moest uitstaan. Die belegering is eene hoogst merkwaardige gebeurtenis in de annalen der krijgsgeschiedenis. Antwerpen, aan de eene zijde aan eene breede rivier gelegen en aan de andere door hooge wallen en diepe grachten gedekt, mogt in dien tijd schier onoverwinnelijk heeten. De Hertog echter, doordrongen van het hooge belang van haar bezit, wilde allen toevoer afsnijden en haar door uithongering tot de overgave dwingen. Intusschen gelukte het hem niet, den grooten waterweg te versperren, daar de bezetting van het fort Lillo de aanvallen der Spanjaarden afsloeg. Daarom nam Parma het besluit, om eene brug over de rivier te slaan en hierdoor die van Zeeland te beletten om aan de Antwerpenaars levensmiddelen te brengen. Gedurende de uitvoering van dat plan vielen Dendermonde, Gent, Vilvoorden en Herenthals in de handen der Spanjaarden, alsmede de blokhuizen bij Willebroek, zoodat Antwerpen van alle gemeenschap met Brussel en Mechelen verstoken was.

De wakkere Aldegonde was burgemeester der stad en hield briefwisseling met prins Willem I, die hem aanried, om den dijk der Oosterschelde door te steken en over de verdronken landen eene nieuwe gemeenschap met Zeeland te openen. Dit voorstel leed schipbreuk op het zelfzuchtig verzet der Antwerpensche slagers, die niet gaarne hunne weiden, waar jaarlijks 12.000 ossen werden vetgemest, onder water wilden zien loopen. Beter slaagde het plan van den ingenieur Gianibelli, om de brug in de lucht te laten vliegen. Hiertoe werden drijvende mijnen gebruikt, namelijk schepen, die onder eene laag steenbrokken eene groote hoeveelheid kruid aan boord hadden, hetwelk onder of bij de brug moest ontvlammen. Statig kwamen zij de rivier afdrijven, en de Hertog, vermoedende dat er iets gaande was, had zijne manschappen onder de wapenen doen komen. Hij zelf bevond zich met zijn schitterenden staf op de brug en had zich, op aandringen zijner officieren, naauwelijks van dáár verwijderd, toen één der schepen, “de Hoop” genaamd, in de lucht vloog. Een groot gedeelte der brug werd daarbij vernield, en 300 mannen werden gedood. Bij den geweldigen knal viel de Hertog met zijne soldaten bedwelmd op den grond. De ontroerde wateren der Schelde stoven omhoog en deden aan de omringende bolwerken des vijands groote schade. Intusschen haastte zich de Hertog om de brug terstond zooveel mogelijk te herstellen, zoodat de Antwerpenaars de gelukkige uitkomst van hun toeleg eerst 3 dagen later vernamen.

Nog meer dan te voren werd nu de brug versterkt, en schoon Gianibelli zijn verwoestend bedrijf nog tweemaal herhaalde, gevoelde men, dat er andere wegen moesten ingeslagen worden tot behoud der stad. Eindelijk besloot men, den raad van Oranje te volgen en den dijk der Oosterschelde door te steken. Parma had intusschen de plaats, waar die doorsteking geschieden moest, behoorlijk versterkt, doch de vrees voor ontploffende vaartuigen joeg de Spanjaarden van daar, zoodat de Antwerpenaars er vasten voet konden verkrijgen. Ijverig gingen de schansgravers aan het werk, terwijl tevens bolwerken werden opgeworpen om hen tegen den aanval der vijanden te verdedigen. Treurig was het, dat men op dit gewigtig oogenblik den tijd verkwistte met mondvoorraad uit groote Zeeuwsche schepen in kleine Antwerpensche vaartuigen over te laden en dat zelfs de aanvoerders, Aldegonde en Hohenlohe, op een korenschip zich naar de stad begaven, als ware het groote werk reeds volbragt. Immers het gebulder van het geschut had den Spaanschen bevelhebber opmerkzaam gemaakt op een dreigend gevaar. Spoorslags reed hij derwaarts, en zijne tegenwoordigheid gaf nieuwen moed aan de weggedreven soldaten. Vreeselijk werd er nu gestreden. Tot vijfmaal toe deed de vijand een vergeefschen aanval op de Nederlandsche benden. Eindelijk gelukte het den Spanjaarden, eene bres in de borstwering te maken, en daar de invallende eb de schepen van het land begon te halen, bleef de zegepraal niet lang onbeslist. De aanslag op den dijk der Oosterschelde — de redding van Antwerpen — was mislukt.

Spoedig bevonden zich de buitenwerken in de magt van den vijand. In de stad werd de honger een scherp zwaard; het volk begon te morren, en de Katholieke partij dreigde met oproer. Toen ook Mechelen in de handen van den Spanjaard was gevallen en de laatste hoop op aanvoer van levensmiddelen uit het zuiden verdween, begon men aan de overgave te denken. Wél beloofde prins Maurits ontzet binnen den tijd van 12 dagen, maar moed en geduld waren uitgeput. De stad capituleerde op den 10den Augustus, en daags daarna was Parma er gebieder. Zij moest eene schadevergoeding betalen van 400.000 goudguldens en alle Protestantsche ingezetenen buiten hare wallen verbannen. Zoowel die belegering als het verlies van een groot aantal burgers, die zich grootendeels te Amsterdam en te Rotterdam vestigden, gaf aan haren handel een geweldigen knak. Binnen hare muren werd den 2den April 1609 het twaalfjarig bestand gesloten, waarbij Spanje de onafhankelijkheid der Noord-Nederlandsche gewesten erkende. Ook werd aan deze bij den Westfaalschen vrede de heerschappij toegewezen over den mond der Schelde. Een en ander was weinig geschikt om Antwerpen uit hare vernedering op te heffen.

Later deelde deze stad het lot der Spaansche bezittingen in de Nederlanden. Gedurende den Spaanschen successie-oorlog werd zij in den naam van Philips II door de Franschen bezet. Door den Vrede van Utrecht viel zij aan Oostenrijk ten deel. De mond der Schelde bleef gesloten, en eene poging van Jozef II, om dien te bevrijden, leed schipbreuk. Gedurende den Oostenrijkschen successie-oorlog (1746) werd er de Citadel door de Franschen onder aanvoering van den maarschalk van Saksen belegerd en na 7 dagen veroverd. Na den slag bij Jemappes opende de stad hare poorten voor de troepen der Fransche republiek (5 November 1792), doch de Citadel bezweek eerst na eene belegering van 3 weken. In het volgende jaar maakten de Oostenrijkers zich nogmaals van die sterkte meester, maar zij werd door Pichegru na den slag bij Fleurus hernomen. Nu werd Antwerpen met Frankrijk vereenigd en de mond der Schelde geopend, zoodat reeds na het jaar 1807 ruim 1800 schepen hare haven bezochten. Napoleon I wilde haar verheffen tot haren voormaligen bloei — tot de voornaamste koopstad en wapenplaats van het Keizerrijk. In 1814 werd zij zelfs nog na den val van Napoleon door Carnot tegen de Engelschen en Saksen verdedigd; eerst den 5den Mei had de overgave plaats.

Door het Weener Congres werd bepaald, dat Antwerpen behooren zou tot het koningrijk der Nederlanden. Van dien tijd af nam haar handel eene nieuwe vlugt. Reeds in 1815 ontving zij 4400 schepen in hare haven. Te midden harer grootsche ontwikkeling barstte de Belgische omwenteling los (1830). De omwentelingspartij maakte zich meester van de stad, en haar militaire commandant, de luitenantgeneraal Chassé, week naar de Citadel en stond haar een wapenstilstand toe. De roekeloosheid, waarmeê de Belgen dien verbraken, gaf aanleiding tot het noodlottig bombardement, dat, ondersteund door het vuur der kanonneerbooten, een gedeelte der stad in een puinhoop herschiep. Thans werd er wederom een wapenstilstand gesloten, maar de Citadel en de daarbij behoorende forten bleven in de magt der Nederlanders, en Chassé verklaarde, dat hij ze, trots alle besluiten der mogendheden, tot het uiterste wilde verdedigen. Frankrijk en Groot-Britanje hadden echter den koning der Belgen beloofd, dat zij zijn rijk — bepaaldelijk Antwerpen — van de Nederlandsclie bezetting zouden bevrijden, en toen koning Willem I hardnekkig weigerde de Citadel te doen ontruimen, trok de Fransche generaal Gérard, vergezeld van de prinsen van Nemours en van Orléans, aan het hoofd van 42.800 man voetvolk en 12.800 man paardevolk naar Antwerpen.

Te vergeefs sommeerde hij den grijzen Chassé om de Citadel over te geven. In den nacht van den 29sten op den 30sten November 1832 werden de loopgraven geopend, maar eerst den 23sten December daaraanvolgende, toen de Citadel door het vuur der Franschen schier in een puinhoop herschapen was, kon de bevelhebber tot de overgave besluiten. Daags daarna trokken de Franschen er binnen, en den laatste dier maand werd de Citadel door Belgische troepen bezet. De dapperen, die haar hadden verdedigd, werden eerst als krijgsgevangenen naar Frankrijk gevoerd, maar bij hun terugkeer met een welverdiend eerbewijs — de herinneringsmedaille der Citadel — beloond. Bij het sluiten van een verdrag tusschen België en ons (1839) bleef de Schelde geopend tegen betaling van een tol, die later is afgekocht, zoodat Antwerpen althans in dat opzigt geenerlei belemmering ondervindt door de uitbreiding van haren handel.

Laatst bijgewerkt 11-01-2018