Aa (Het geslacht van der) betekenis & definitie

Aa is sedert den aanvang der vijftiende eeuw in ons vaderland bekend en ontleende zijn naam aan het kasteel ter Aa, in de provincie Utrecht niet ver van Nieuwersluis gelegen.

Omtrent sommige leden van dit geslacht vindt men bijzonderheden in het Vaderlandsch Woordenboek van de Kok. Van de lateren noemen wij: C. C. H. van der Aa († 1793), Luthersch predikant te Haarlem, eersten secretaris van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen, — P. van der Aa († omstreeks 1730), boekhandelaar te Leiden en uitgever van belangrijke kaarten en portretten, — P. I. B. C. van der Aa († 1812), in 1795 advokaat te Amsterdam, een ijverigen Voorstander der toenmalige omwenteling en schrijver van vele regtsgeleerde werken, — en C. P. E. Robidé van der Aa († 1851), eerst advocaat te Sneek en in de Lemmer, later procureur te Leeuwarden, en eindelijk lid der arrondissements-regtbank te Arnhem en schoolopziener in het eerste distrikt van Gelderland. Hij bewoonde het fraaije landgoed den Hemelschen berg, verzamelde eene kostbare boekerij en verrijkte onze letterkunde door vele bijdragen in proza en poëzy. Ook den verdienstelijken A. J. van der Aa, bekend door zijne aardrijkskundige en biographische geschriften, alsmede C. M. A. Simon van der Aa, advokaat en procureur te Leeuwarden en vertaler (1853) van de Harmonies économiques van Bastiat, willen wij niet onvermeld laten.

Laatst bijgewerkt 27-06-2017