Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Gepubliceerd op 20-08-2018

Utrecht

betekenis & definitie

Utrecht, eene Nederlandsche provincie, door de Zuidzee en de provinciën Gelderland, Zuid- en Noord-Holland omgeven, telt op 25,14 □ geogr. mijl omstreeks 190000 inwoners, van welke 2/5de de R. Katholieke en de overigen de Protestantsche en voor een klein deel de Israëlitische godsdienst belijden. De grond is er in het noordelijk gedeelte laag en vlak en met grazige weiden bedekt, maar in het oostelijk gedeelte heuvelachtig, zandig en met bosch en heide begroeid. De wateren behooren er meestal tot het stroomgebied van de Rijn, namelijk de Lek aan hare zuidelijke grenzen, de Kromme Rijn, de Vecht en de Hollandsche IJssel, terwijl de Eem zich uitstort in de Zuiderzee. Ook zijn er eenige kanalen of vaarten.

Het klimaat is er gezond, en tot de belangrijkste voortbrengselen behooren er: graan, tabak, paarden, runderen en bijen, — voorts wollen, katoenen, linnen en zijden stoffen, gebakken steen en aardewerk. Deze provincie is van onderscheidene spoorwegen doorsneden. — De evenzoo genoemde hoofdstad aan de Oude Rijn, omsluit twee armen van deze rivier, welke door de Vaart met de Lek en door de Vecht met de Zuiderzee verbonden zijn. Zij is door forten omgeven en alzoo een voorpost van Amsterdam. Er zijn 5 voorsteden en 20 kerken; tot deze laatsten behoort de dom of St. Maartenskerk, een prachtig, in spitsboogstijl opgetrokken gebouw, waarvan echter het schip in 1674 bij een orkaan is ingestort, zoodat thans het koor en de toren door een open plein gescheiden zijn. Het universiteitsgebouw is met de domkerk verbonden, en in het groot auditorium, de voormalige kapittelzaal van den dom, werd in 1579 de Unie van Utrecht (zie Unie) gesloten. Voorts heeft men er het paleis van Lodewijk Bonaparte, den voormaligen Koning van Holland, welk gebouw later werd ingerigt voor de Académische bibliotheek, de zoogenaamde Paushuizen, gesticht door paus Adriaan VI, geboortig uit Utrecht, het paleis van Justitie, een fraai raadhuis, het gebouw van kunsten en wetenschappen, een schouwburg, enz. Tot de fraaije, ruime pleinen der stad behooren het Vreeburg, de Neude en het St. Janskerkhof. Men vindt er het provinciaal bestuur, onderscheidene regtbanken, onder welke zich het hoog militair geregtshof bevindt, een R. Katholieken en een Jansenistischen aartsbisschop en eene balie der Duitsche Orde. De universiteit, in 1636 gesticht, telt ruim 500 studenten en is in het bezit van scheikundige, physiologische en natuurkundige laboratoria, van een natuurkundig en ontleedkundig kabinet, van eene aanzienlijke boekerij, van een botanischen tuin, van eene nieuwe sterrewacht en van een uitstekend meteorologisch observatorium. Daarenboven heeft men er een gymnasium, eene technische school, eene hoogere burgerschool, een rijkshospitaal, eene veeartsenijschool, eene teekenschool en een aantal andere inrigtingen van onderwijs, een rijk aartsbisschoppelijk muséum van kerkelijke oudheden, onderscheidene instellingen van weldadigheid, een genootschap van kunsten en wetenschappen, een historisch genootschap enz. Aan de oostzijde der stad heeft men de beroemde Malibaan, eene laan met zes rijen prachtige lindeboomen, terwijl aan weerszijden fraaije villa’s zich verheffen. De fabrieknijverheid levert er laken, wollen, katoenen, linnen en zijden stoffen, sigaren , porselein, machines, landbouwgereedschappen, scheikundige praeparaten enz. Ook is er een aanzienlijke handel, niet slechts in gemelde fabrikaten, maar ook in vee, boter en kaas. Deze stad is het vereenigingspunt van onderscheidene spoorwegen, die zich vanhier uitstrekken naar Amsterdam, naar Rotterdam, naar ’s Hertogenbosch, naar Arnhem en naar Zwolle. De bevolking bedraagt er bijkans 70000 zielen. — De naam van Utrecht wordt afgeleid van de Latijnsche woorden „Ulterius trajectum”, zamengetrokken tot „Ultrajectum” of een „Verdere overtogt” over de Rijn. In den tijd der Romeinen was Utrecht eene stad der Batavieren in Romeinsch Gallië en heette Trajectum ad Rhenum. Na de vernietiging der Romeinsche heerschappij in Gallië vestigden er zich eerst de Franken en daarna de Friezen. Het oude Utrecht lag op den noordelijken oever van de Rijn, maar nadat Dagobert in 630 op den zuidelijken rivierzoom eene kapél gebouwd had en er in 696 door Willebrord een bisdom was gesticht, breidde de stad zich uit rondom den burgt, die er in de 8de eeuw verrezen, in de 10de eeuw door de Noormannen verwoest, maar door bisschop Bolderik weder opgebouwd werd. De graven van Bentheim en de heeren van Cuyk waren er bij afwisseling in het bezit van het burggraafschap, totdat dit laatste in 1220 door bisschop Otto II werd aangekocht. Het bisschoppelijk Utrecht, ook thans nog wel de „Mijterstad” geheeten, werd eene aanzienlijke plaats en zelfs de Duitsche koning Willem verwierf er het burgerregt. De stad werd wegens hare welvaart en wegens hare ligging in het midden van een aantal wereldlijke Staten vooral in de 13de eeuw in onderscheidene oorlogen gewikkeld en tevens inwendig door partijtwisten geteisterd. In 1279 werd zij nagenoeg geheel en al door de vlammen vernield. In de 14de eeuw verkreeg de stedelijke adel er grooten invloed op de verkiezing der bisschoppen, maar juist deze gaf aanleiding tot gedurige oneenigheden. Bisschop Hendrik, pfalzgraaf bij de Rijn, stond in 1527 de stad en het sticht van Utrecht af aan keizer Karel V. Paus Paulus IV verhief in 1559 de kerk te Utrecht tot eene metropolitaankerk en belastte den nieuwen aartsbisschop, Frederik Schenk van Toutenburg (♰ 1580), met het toezigt op de bisdommen Haarlem, Middelburg, Leeuwarden, Deventer en Groningen. Onder de regéring van Philips II kwam er de linie (zie aldaar) tot stand. Ook vergaderden er de Generale Staten tot 1593, toen zij in 's Gravenhage bijeenkwamen. Het nieuwe aartsbisdom Utrecht ondervond weldra den invloed der staatkundige omwenteling: wél koos men na het overlijden van den eersten aartsbisschop een tweeden en een derden, maar geen van deze ontvingen de wijding. De Hervormde leer breidde er zich uit met groote kracht, en sedert 1602 vergenoegde zich de Paus met de benoeming van een apostolischen vicaris. Eene eeuw later vond het Jansenismus ijverige aanhangers in het kapittel van het Sticht, en de verkiezing van een Jansenistischen aartsbisschop (Cornelius Steenhoven) werd in 1723 oorzaak van onéénigheid met Rome en van het ontstaan der Bisschoppelijke Clerezij, die zich sedert 1871 in betrekking heeft gesteld met de Oud-Katholieken in Duitschland. Den llden April 1713 werd te Utrecht de naar deze stad genoemde Vrede gesloten, welke een einde maakte aan den Spaanschen Successie-oorlog. Eindelijk werd Utrecht in 1795 door de Franschen onder Pichegru bezet, terwijl men er zich in onze dagen beijvert, aldaar een monument te stichten ter gedachtenis van de reeds door ons vermelde Unie.