Gepubliceerd op 20-01-2021

Denemarken

betekenis & definitie

(deensch: Danmark) Het kleinste der drie Scandinavische rijken; het bestaat uit het hoofdland of het eigenlijke koninkrijk D. en de nevenlanden of onderhoorigheden; het hoofdland omvat het schiereiland Jutland, de eilandengroepen tusschen Kattegat, Oostzee, Jutland en Schonen, en het eiland Bornholm, tezamen beslaande een oppervlakte van 38318 km.2; de onderhoorigheden zijn:

1) de Faroër, 1333 km.2 groot,
2) IJsland, 104785 km.2 en
3) Groenland, 88100 km.2, waar in de gletschervrije gebieden langs de westkust tot op 73° N B. eenige nederzettingen zijn ontstaan.

Tot 18 Maart 1902 behoorden ook de drie westindische eilanden St. Croix (218¼ km.2), St. Thomas (86 km2) en St. Jean (54 km.2) tot Denemarken De geheele monarchie beslaat alzoo een oppervlakte v. 232,536 km.2

Algemeene gesteldheid

Het hoofdland breidt zich uit tusschen 54° 34' (zuidpunt v. Falster, Gjedserodde) en 57° 45' (noordpunt van Jutland, Skagen) N.B. en tusschen 8° 5' (westk. van Jutland, Blaavandshuk) en 15° 10' (Ertholmene bij Bornholm) O.L. v. Gr. en behoort, behalve Bornholm, tot het noord-germaansche laagland; de hoofdmassa van den archipel beoosten Jutland splitst zich (afgezien van het zich geologisch aan het Scandinavische schiereiland aansluitende eiland Bornholm) in twee groepen, een oostelijke met Seeland, Moën en het zuidelijk voorgelegerd eilandenpaar Laaland en Falster, en een westelijke, die uit Funen met de kleinere eilanden Taasinge, Langeland en Aerö bestaat. Samso wordt tot Seeland, Anholt en Laesö worden daarentegen tot Jutland, het continentale gedeelte van D., gerekend. De oostelijke eilandengroep wordt door de Sond van Zweden gescheiden, de westelijke door de Kleine Belt van Jutland en Sleeswijk-Holstein; tusschen beide groepen strekt zich de Groote Belt uit. Evenals de grootere eilanden zich in hun noordelijke deelen meer of minder diep ingesneden vertoonen (Isefjord in Seeland, Odenseefjord in Funen), wordt ook de oostkust van Jutland gebroken door een reeks diepinsnijdende fjorden, zoodat geen enkel bevolkingscentrum meer dan 60 km. van de zee verwijderd is. de belangrijkste insnijdingen zijn de fjorden van Kolding, Veile, Horsens, Randers en Manager; de noordelijkste en diepste van allen, de Limfjord, snijdt, sinds haar doorbraak naar de Noordzee in 1825, de noordspits v/h noordelijk deel van hetJutsche vasteland eilandsgewijs af. De Noordzeekusten van Jutland, door duinen tegen het binnendringen van de zee beschermd, bezit evenmin eigenlijke fjorden als (benoorden Esbjerg) havens. Aan de 338 km. lange kustlijn van Skagen tot Blaavandshuk, geven slechts twee invaarten, het Thyborönkanaal naar de Limfjord en de Nymindegab naar de Ringkjóbingf jord, door den duinzoom toegang tot haff-achtige zoetwaterbekkens. Bezuiden Blaavandshuk evenwel vertoont de kust eenzelfde gebrokenheid als de zich zuidwaarts daaraan aansluitende westkust van Sleeswijk-Holstein kenmerkt; door haar geringe diepte hebben de meeste der bochten hier voor het verkeer echter weinig of geen beteekenis.

Het relief van het land is tamelijk eenvormig; verheffingen van 30 meter van den voor het grootste deel golvenden bodem gelden reeds als aanzienlijke hoogten; hier en daar komen heuvelen van ten hoogste 90 meter voor; de hoogste punten vormen de Gyldenlöves Höj (126 m.) in het ambt Sorö op Seeland, en in het oostelijk deel van het eiland JVloën de Kongsbjerg (142 m.) en de Aborrebjerg (141 m.); het eiland Falster is vlak, slechts in het n. verheit zich de Bavncliöj tot 43l/2 m.; Laaland bezit slechts hoogten van 30 m. üp Funen ligt het hoogere land in het w. en z., waar zich de Frübjerg tot 131, en de Trebjerg tot 128 m. verheffen. Langeland bevat een reeks afgezonderd iigg. heuvelen, onder welke de 46 in. hooge Skovlebjerg de hoogste is. Up het schiereiland Jutland zijn de oneffenheden belangrijker; van de Limijord zet zicii zuidwaarts tot door Sleeswijk-Holstein en tot aan de Elbe een landrug voort, die Jutland in een westelijke en oosteiijke, beide daksgewijs alioopende helft scheidt, van welke de westelijk de grootste is; van dezen landrug gaan een menigte zijtakken uit, tot een waarvan de grootste verhevenheid van geheel D., de 172 hooge Eiers-Bavnehöj, behoort. De Jutlandsche landrug vormt tegelijkertijd de waterscheiding tusschen Kattegat en Noordzee. In het Kattegat mondt bij Randers de 150 km. lange Uuden-Aa, de hoofdrivier van D., uit; in de Noordzee vallen de Ribe-Aa, de Konge-Aa, de 68 km. lange Varde-Aa, de 75 km. lange Lönborg-Aa of Skjern-Aa en de 83 km. lange Stor-Aa. De iSkive-Aa (60 km.) loopt uit in de Limijord. Up Seeland verdient slechts de Sus-Aa of Nasby-Aa (82 km. ), op Funen de Odensee-Aa (60 hm.) den naam van rivier. Kleine binnenmeren zijn in menigte voorhanden, doch hebben allen slechts een geringe diepte; in het n.o. van Seeland zijn Lhet Arremeer, het Esrommeer en het Furemeer, in liet w. van hetzelfde eiland het Tismeer, in Jutland de schoone meren tusschen Skanderborg en Silkeborg de voornaamste.

Met de gesteldheid van omtrek en oppervlakte harmonieert de geologische bouw van den bodem ten volle. Jutland en de eilanden rusten ten deele op een ondergrond van krijt, welke in een van het n.w. tot het z o. gestrekten gordel bloot ligt, b.v. op Moën (Moens Klint), op Seeland (Slevns Klint), aan de Limtjord in Jutland en op andere punten. Hieraan sluit zich in het w. de bruinkoolformatie aan: glimmertoon en zand met bruinkolen, echter slechts hier en daar als oppervlakvorming. Deze ondergrond is overdekt met diluvium, dat op de eilanden en aan de oostkust van Jutland een golvenden, zeer vruchtbaren bovengrond, met tarwekultuur en uitgestrekte beukenwouden, vormt. Verder westelijk volgt het gruisachtig zand (oude eind-inoraines), tot heuvelen opgehoopt, gedeeltelijk met heide begroeid, met onvruchtbaar, doch slechts nog voor boekweit, rogge en haver geëigend. Ten westen hiervan strekt zich de vlakke, onvruchtbare Ahlheide, de Jutlandsche steppe, aan, hoofdzakelijk bestaande uit steenvrij zand, slechts hier en daar door veengrond en moerassen onderbroken en met enkele coniferenbosschen bezet. Aan de westkust strekt zich het gebied van het vlugzand uit, met duinen van 10 tot 30 meter hoogte, die door zandgrassen en wouden bevestigd zijn. Aan het zuidelijk deel der westkust begint het drassig laagland.

Klimaat, plant- en dierwereld

Het klimaat van D. is in het algemeen oceanisch; de ligging van het land tusschen zee (in het w.) en vasteland (in het o.) bewerkt echter, dat het beurtelings door het w. en het o. beïnvloed wordt. Zuidwesten winden hebben de overhand, m April en Mei treden veelvuldig oostewinden op. De thermometer daalt hoogstzelden beneden — 15u 0., en de wintertemperatuur varieert bijna altijd tusschen + 3° en — 4°, de zomertemperatuur tusschen + 15u -j- 22u. De grootste warmte hebben de Noordzeekust en Langeland, de grootste koude Midden- en Noord-Jutland. De jaarlijksche hoeveelheid regen bedraagt 45—75 c.lVL, en is het grootst langs de kusten der Noordzee en op Zuid-Seeland, het kleinst (minder dan 50 cM.) in het n. o. van Funen en het n. w. van Seeland. De lente is regenarm, de herfst regenrijk, het weer over het geheel onbestendig, winderig, mistig. Kopenhagen heeft een gemiddelde zomertemperatuur van 15s/4l* (J.

De plantenwereld is betrekkelijk rijk en van het o. naar het w. zijn drie vegetatiegordels voorhanden: woud-, heide- en duinvegetatie; de woudgordel of het deel waar over het algemeen woud optreedt, omvat de eilanden en Oost-Jutiand; van het eens zoo houtrijke land is echter nog slechts nauwelijks 5u/o met wouden bedekt. Gelijk uit de veengronden blijkt hadden in oude tijden pijnboomsoorten en later eiken de overhand; thans vormt de beuk het hoofdbestanddeel der wouden, hoewel ook eiken en berken nog ruim voorhanden zijn. Alle midden-europeesche graan- en ooltsoorten gedijen uitmuntend, en aardappelen, erwten, knolgewassen (rapen, wortels) en allerlei groentesoorten worden algemeen verbouwd. — De fauna is een verarmde noord-duitsclie en bevat, behalve eenige insecten vormen (meest kevers), geen enkelen diervorm die ook niet in Uuitschland wordt aangetroffen, daar bij gebreke van gebergten de dieren van het liooge noorden hier nog niet voorkomen ; de zeefauna is aan het noordeinde rijker dan aan de Sleeswijk-Holsteinsche en eerstvolgende deensche gedeelten der kust. Sinds 1825, het tijdstip van de doorbraak naar de Noordzee, is de Limijord voortdurend rijker aan oesters geworden.

Bevolking

Bij de volkstelling van 1 Febr 1890 telde liet eigenlijke koninkrijk D. 2,172,205, elt jaren later, 1 Febr. 1901: 2,447,441 (64 op 1 km2) inw. ; de bevolking nam sinds 1890 met 12-/3 l7'ü toe. Het zwakst is de westkust van Jutland, het sterkst Aero bevolkt; onder de 73 steden (1901) kan slechts de hoofdstad, Kopenhagen, 378,280 inw, tot de groote steden worden gerekend; de tweede stad des rijks, Aarhuus, üeeft 51,900 inw. ; hierop volgen Odensee (40,104) en Aalborg (31,412), 8 steden hebben tusschen 30,000 en 10,000 inw., de overigen minder. De kleinste stad, Sandvig, telde 1901 852 inw. Behalve de steden bestonden in 1901 nog 3 handelsplaatsen, waaronder Frederiksberg met 76.237 inw. Bij het getal inw. van het eigenlijk D. komt nog dat der bezittingen: de Faroër (17 bewoonde eilanden) met 13,000 inw, Ijsland met 74,000 inw. en Groenland met 11,000 inw. Wat de religie betreft bestond de bevolking in 1890 uit ruim 2 millioen lutherschen, 3685 r.-kath. en overigens uit baptisten, methodisten, irvingianen, mormonen (941), israelieten ^4080) en 2560 personen van generlei of van onbekende belijdenis. De bevolking der steden neemt gestadig toe, die van het platteland blijft stationair.

Landbouw en nijverheid, enz

Van den bodem zijn 80 °/o productief (34 °/n bouwland, 41 % wei en hooiland, 5 °/o wouden); op elke 100Ö inw. vinden bijna de helft hun bestaan in den landbouw, die ook in de kleinere steden het hoofdbedrijf uitmaakt; in 1899 werden geoogst: D'4 millioen hectoliter tarwe, bijna 6V2 idem rogge, 7% idem gerst, 13V20 idem haver en 62/3 idem aardappelen. De veestapel is zeer belangrijk; bij de veetelling in 1898 werden geteld 449,329 paarden, 1,744,797 stuks rundvee, 1,168,493 varkens, 1,074,413 schapen, bijna 9 millioen hoenders. In 1899 bestonden 64 branderijen, 23 suikerfabrieken en rafineriën, 42 bierbrouwerijen (tezamen met een productie van l1/ 5 millioen hectoliter bierper jaar). Kopenhagen is de hoofdzetel der industrie, waarvan slechts branderijen en suikerfabrieken op den voet van groot bedrijf worden bedreven; 1 % der bevolking leeft van de vischvangst, die in de laatste jaren der 19de: eeuw een gemiddelde opbrengst had van 328 millioen kronen.

Handel

Onder de talrijke havens van D. is die van Kopenhagen voor den wereldhandel de belangrijkste, voor de scheepvaart ook de beste; vele hebben te weinig diepte voor verkeer met groote schepen; aan de westkust van Jutland ontbreken goede havens geheel. De Deensche handelsvloot bestond aanvang 1899 uit 3264 zeilschepen, tezamen metende 169,263 ton, en 510 stoomschepen met 225,422 ton en 48,062 paardekrachten; voorts waren nog 11724 kleine vaartuigen van minder dan vier ton laadruimte voorbanden; opmerkelijk is de ongemeen sterke toename der stoomschepen; alleen in het jaar 1898 steeg het tonnental daarvan 23'ƒ2 0/0, wat een laadruimte vertegenwoordigt als voor 20 jaren de geheele Deensche stoomscheepvloot had. De totale invoer bedroeg in lb99: 4928/ioo millioen kronen, en de uitvoer 364S2/iio millioen kronen; de voorn. handelsartikelen hadden hier aan het volgend aandeel (in millioenen kronen):

Waren. Invoer Uitvoer

Koloniale waren en vruchten 39,85 12,81

Dranken 7.45 3,72

Dieren 2,23 19.45

Granen 70,47 15,70

Delfstoffen .... 49,71 7,88

Textielwaren . . . 65,88 15,28

Hout en houtwaren 25,35 2,10

Metalen en metaalwaren 47,22 11,38

Eetwaren afkomstig van dieren. . : 65,62 236,62

Bij den buitenl. handel van D, waren de volgende landen betrokken als volgt (in millioenen kronen):

Staten. Invoer. Uitvoer.

Duitschland 144.25 66,67

Groot-Britannië 100,52 216,42

Vereenigde Staten 78,15 6,85

Zweden en Noorwegen 59,12 46,12

Rusland 36,78 16,21

Frankrijk 11,15 1,40

Nederland 10,70 0,47

België 8,42 1,17

Brazilië 4,55

Spanje 3.88 0,05

Voormalige koloniën 3,46 3,71

Duitschland heeft derhalve het grootste aandeel aan den Deenschen handel, daarop volgen Groot-Britannië, Vereenigde Staten, Zweden en Noorwegen, Rusland, Frankrijk, Nederland en België. Het geldverkeer bemiddelt grootendeels de te Kopenhagen gevestigde Deensche bank; in genoemde stad en andere steden bestaan ook verschillende particuliere bankinstellingen. De munteenheid is sinds de invoering van een gemeenschappelijk muntstelsel tusschen D., Zweden en Noorwegen (in 1875) de kroon, verdeeld in 100 öre; de kroon heeft een nominale waarde van 662/3 cent: bij overmaking moet 68 cent worden berekend. Maten en gewichten metrieke stelsel.

Verkeerswezen

Aanvang 1899 had D. 2523 km. spoorlijn, waarvan 1783 in exploitatie van den staat; de eerste spoorlijn in D., Altona— Nieuwmunster—Kiel (van de Altona—Kieler spoorwegmaatschappij) werd 18 Sept. 1844 geopend De posterij behandelde in het boekjaar 1898/1899: 85 millioen brieven, S'/g millioen paketten, 79!/2 millioen bladen en tijdschriften, 2,511.968 geldzendingen (tezamen 60 millioen kronen). D. had in 1899 1070 postkantoren, 480 telegraafkantoren (met 6789 km. staats en particuliere telegraaflijnen, 21.139 km. draad).

Bestuur

D. is krachtens de grondwet van 5 Juni 1849 een constitutioneeie monarchie; de koning is nietverantwoordelijk, zijn persoon is heilig en onaantastbaar; de ministers zijn verantwoordelijk; de koning verklaart oorlog en sluit vrede, bondgenootschappen en handelsverdragen en heft deze op; hij kan zonder goedkeuring van zijn parlement geen landen afstaan of verandering brengen in de staatsrechtelijke verhoudingen; hij kan gratie en amnestie verleenen; hij heeft absoluut recht van veto (bevoegdheid een parlementsbesluit krachteloos te maken en de uitvoering daarvan te verbieden), en kan het parlement of naar believen een der beide kamers ontbinden en zoo het noodig is en de Staten-Generaal niet vergaderen, voorloopige wetten uitvaardigen, die echter niet strijdig mogen zijn met de grondwet. De staatsraad bestaat uit zeven ministers: buitenl. zaken, oorlog, marine, financiën, justitie, eeredienst en onderwijs, binnenl. zaken. Het parlement of de StatenGeneraal (Riksdag) bestaat volgens de in 1866 herziene grondwet van 1849 uit een Eerste kamer (Landsthing) en een Tweede kamer (Polkething), en komt den eersten Maandag in Gct. te Kopenhagen bijeen; het Folkething bestaat uit 114 (volgens de kieswet 1 op elke 16.000 inw.) afgevaardigden, die voor drie jaren worden gekozen; voorwaarden voor het kiezerschap zijn het indigenaat, een leeftijd van 30 jaren, burgerlijke zelfstandigheid en een verblijf van minstens 1 jaar in het kiesdistrict ; voor de verkiesbaarheid wordt een leeftijd van 25 jaren vereischt; het Landsthing bestaat uit 66 leden; daarvan benoemt de koning 12 voor het leven, de overigen worden volgens een vorm van censuskiesrecht gekozen; Kopenhagen vaardigt 7 leden af; de leden hebben acht jaren zitting; om de vier jaren treden zij voor de helft af. Elke kamer heeft het recht van initiatief; voor een grondwetswijziging is niet slechts de goedkeuring van de bestaande Staten-Generaal, maar ook van een tweede, nieuwgekozen St.-Generaal, benevens de sanctie des konings noodig. Volgens de wet op de troonopvolging van 31 Juli 1853 is de kroon erfelijk in de mannelijke nakomelingschap van den regeerenden koning, Christiaan IX.

Het koninkrijk is verdeeld in 18 ambten (zooveel als provinciën), behalve de hoofdstad, die een ambt op zichzelf vormt:

AMBTEN Oppervl in vierk. K.M. Inwoners 1890 Inwoners 1901 Toename 1890-1901 in pct.

Stad Kopenhagen 20,1 321.418 378.280 17,69

Kopenhagen 1208,7 144.147 195.277 35,47

Frederiksborg .... 1353,7 84.684 90.555 6,93

Holbaek . . . 1080,7 94.235 98.301 4,31

Sorö 1472,4 88.990 94.471 6,16

Praestö . . . 1673,0 100.649 103.257 2,59

Bornholm . . 583,4 38.761 40.877 5,46

Maribo . . . 1668,2 100.552 105.018 4,44

Svendborg . 1645,1 120 707 128.006 6,05

Udensee . . . 1771,3 136.117 151.495 11,30

Veile 2331,5 111.904 125 602 12,24

Aarhuus. . . 2477,4 157.191 186.481 18,63

Randers . . . 2434,0 110.444 118.679 7,46

Aalborg . . . 2896,4 104 790 128 539 22,66

Hjörring. . . 2815,7 110.36t 119.203 8.01

Thisted . . . 1693,3 69.407 71.439 2,93

Viborg. . . . 3032,6 100.777 105.826 5,01

Ringkjöbing. 4528,7 98 623 110.661 12,21

Ribe 3032,6 78.623 95.474 21.43

Koninkrijk 38318,8 2172.380 2447.441 12,66

Aan het hoofd dezer ambten staan ambtenaren, die in de zeven ambten met stiftsteden (bisschopsresidentiën) den titel van stiftsambtman, en in de overige ambten eenvoudig dien van ambtman voeren; de ambten zijn weer verdeeld in districten en deze in kerspelen of gemeenten (1070 gemeenten). In kerkelijk opzicht is D. verdeeld in zeven stiften of bisdommen (behalve Ijsland, dat een eigen bisschop heeft); de bisschop van Seeland, die te Kopenhagen verblijf houdt, is primas; elk ambt heeft een ambtsraad (provinciale staten). Ijsland heeft 5 Jan. 1874 een eigen grondwet verkregen. Allen staatsburgers is vrijheid van godsdienst gewaarborgd; er bestaat in I). volle vrijheid van drukpers en van vereeniging; ieder in de wetgeving aan adel, titel of rang vastgeknoopte directe bevoorrechting is afgeschaft.

De rechtspleging is openbaar; de laagste rechterlijke lichamen zijn in D. de thinggerechten in elk district (onderdeel van een ambt) en de stadsgerechten; hierop volgen als tweede instantie de landgerechten te Kopenhagen en Viborg, en in laatste instantie doet de Höjeste Ret (Hooge Raad) te Kopenhagen uitspraak.

D. is het land van het gemiddeld en het kleinbezit; de klassen-tegenstellingen zijn er minder scherp dan in de omliggende landen; de Denen, over het algemeen volhardend, pblegmatiek, zijn voor alles practisch ; het zijn goede, doch langzame waarnemers, en in het dagelijksch leven zoowel als in de wetenschap nuchtere denkers ; onder de schoone kunsten zijn dicht- en toonkunst bij hen het meest in eere; zij leggen groote neiging tot zwaarmoedigheid aan den dag.

De evangelisch-luthersche is de deensche staatskerk, en wordt als zoodanig door den staat gesubsideerd; de zeven bisdommen of stiften van D. zijn Seeland, Funen, Lapland, Falster, Aalborg, Viborg, Aarhuus en Ribe (Ripen). In de laatste helft der 19de eeuw is door alle lagen der bevolking het parlementaire socialisme doorgedrongen, dat misschien nergens, behalve in Duitschland, zoo sterk staat en zoo groote ontvankelijkheid heeft gevonden als in I). De algemeene volksontwikkeling is bevredigend ; sinds 1814 bestaat leerplicht; aan het hoofd van het onderwijs staat de universiteit te Kopenhagen, welke stad overigens alle hoogere inrichtingen van onderwijs benevens rijke wetenschappelijke en kunstverzamelingen bevat; verder zijn er academiën te Sorö en Herlufsholm

Leger en vloot

de militaire dienst is verplicht voor alle mannelijke onderdanen, voor den tijd van 16 jaren; de oefentijd duurt voor het wapen der infanterie 180 dagen, artillerie 12 maanden, kavalerie 8 maanden, vestingartillerie en genie 5 maanden; bij de nieuwe legerwet van 13 April 1894 werd de conscriptie behouden, de plaatsvervanging afgeschaft; in oorlogstijd kan D. op de been brengen ongeveer 50.000 manschappen en 1200 officieren, en een reserve van 16 000 manschappen en 260 officieren. I). heeft een betrekkelijk zeer sterke vloot (1899: 87 schepen); de hoofdoorlogshaven is Kopenhagen; de marinetroepen bestaan uit ruim 1300 manschappen en 285 officieren

Het wapen van D. bestaat uit een door twee wilden vastgehouden, met de koningskroon gedekt en met de insignes der Olifantsorde omhangen schild, dat door het zilveren, in rood gevatte kruis der Danebrogsorde in vier kwartieren wordt afgedeeld, die de wapens der verschillende deelen des koninkrijks bevatten. Aan orden bestaan naast de Olifantsen de Danebrogsorde meerdere orden van verdienste.

Financiën

Het belastingstelsel van D. is in den loop der 1911'- eeuw zeer vereenvoudigd geworden, laatstelijk vooral door de wet van 20 Juni 1850, die een tiental kleine belastingen ophief en daarvoor een enkele in de plaats stelde : de directe belastingen bestaan behalve de oude belasting (gammelskat) uit een grondbelasting, een belasting op gebouwde eigendommen en een vermogensbelasting ; de indirecte uitvoerrechten en belastingen op geestrijke dranken, suiker, erfenis enz.; de staatsinkomsten bedroegen in het financieel jaar 1898/99 : 71.2 millioen kronen, de uitgaven 74.4 millioen kronen ; de totalen van het budget voor het financieel jaar 1899—1900 waren: inkomsten: 67.672 188 kronen, uitgaven : 69.494.095 kronen: van de uitgaven vorderde het leger een bedrag van 10 3 millioen kronen, de vloot 6.8 millioen kronen.

Taal- en letterkunde

De deensche taal vormt met de noorsch-ijslandsche en de zweedsche een taalfamilie, de oostgermaansche van den algemeen-germaanschen taalstam. Tot in de 10(lc eeuw hadden de Scandinavische landen ééne taal , wat uit de oudst-bekende runensteenen blijkt (zie Thorson, De danske Uuneniindesmao-ker, 1864—79 ; L. Wimmer, liuneskriftens Oprindelse og Udcikliiuj i Narden 1874): de eerste verschillen in de afzonderlijke taalgroepen waren van dialeetischen aard. Reeds het bondgenootschap der Denen met de Angelsaksen sinds Knoet den Grooto oefende eenigen invloed uit op het verdwijnen der oudseandinavische taalvormen en ook op de scherper afscheiding van het deensch van de verwante oudnoordschc tongvallen. Belangrijker voor de verdere ontwikkeling der deensche taal waren echter de latere betrekkingen van de Renen met de Duitschers en het verkeer met de Hanzesteden. De reformatie had mede grooten invloed op de deensche taal, en de overzetting van Luther’s bijbel (1550) is het eerste monument in het nieuw-deensch, dat sinds nog belangrijke verbeteringen onderging en den eigen woordenschat met vele aan andere talen ontleende woorden verrijkte, zoodat het thans wat rijkdom aan woorden, bepaaldheid van vormen, duidelijkheid en kortheid van uitdrukking, en grammatikale volkomenheid betreft, voor geen enkele levende taal behoeft onder te doen; de deensche taal is de meest moderne der Scandinavische talen; hoewel niet zoo welluidend als het zweedsch, overtreft zij ook in dit opzicht vele andere levende talen. Het gebied van het deensch is het koningrijk Denemarken, en het noordelijkste deel van Sleeswijk ; sinds de politieke voreeniging van Noorwegen met Denemarken in de 14<l,: eeuw werd het deensch ook de schrijf-en ten deele de omgangstaal der Noren ; in den nieuweren tijd hebben deze laatste alle pogingen gedaan om hunne volkstaal tot schrijftaal te verheffen, en zich ook in dit opzicht van de Denen te emancipeeren, echter met weinig gevolg : het in Noorwegen gesproken deensch wijkt door ruwer, harder uitspraak van het eigenlijk deensch af. Een eerste deensche spraakkunst verscheen in 1668 te Kopenhagen, in het latijn, van Erik Broby (Pontoppidanus); hierop volgden die van Peter Syv (1685) en van Gerner, Orthogragliia Danka (1679) en Kpitome Philologiae Daukae (1690), H</iysgaard (1743 en 1747), later die van Baden, Bloeh, Rask, Petersen, Oppermann, Sörensen, Bentzien, Jessen (Dansk Grammatik, 1891), die thans echter allen worden overtroffen door het werk van Mikkolsen: Dansk. Sproglmre med sprogbistorisk Tilbrg (Kopenh. 1894). Het noorweegsche deensch werd voortreffelijk behandeld door L(/ikke, Modersmaalets Formlvere (1855) en K. Knudsens, Ilaandbog i dendanskuorske Sproghrre (1856). Een eerste proeve van deensche lexicographie is Christiern Pedersen’s Vocabularium in usuin Danorum (1519). Aan dit en andere deensch-latijnsche woordenboeken sloten zich later die van Aphelen, J. Baden, Reisler, G. H. Müller, aan. Het groote door de kopenhaagsche academie, Videnskabernes Selskab, uitgegeven en nog onvoltooide Dansk Ordbog (dl. i—7, A—U, 1793 v.v.) wordt door Molbech’s Dansk Ordbog (2 (1 In., 1833, 2<ii: dr. 1854—59) in vele opzichten overtroffen Molbech bearbeidde ook een Dansk Dialektlexikon (1833—41), en een Dansk Glossarium (1854). Een woordenboek vanhetouddeensch geeft O. Kalkar uit: Ordbog itl det celdre danske Sprog. 1300—1700 (sinds 1880). De nieuwere deensche metrieken zijn E. A. Thorson’s Forsög til en. dansk. Metrik (2 dln., 1833—34) en Ernst van dor Recko’s Principerne for den Danske Verskunst (2 dln., 1881). De geschiedenis der deensche taal behandelen N. M. Petersen, Det danske, norske og scenske Sprogs Historie (2 dln., 1829—30), Moïbech, Det danske Sprogs historiske Udeikling (Koph. 1846), L. Wimmer. Navneordenes bijijning i celdre dansk. Bidrag til dansk Sproghistorie (1868), Noreen, De nordiiska Spraken en bovenal Dahlerup, Det danske Sprogs Historie (Kopenh. 1896). Ten opzichte der deensche dialecten maakten Dyrlund Udsigt ocer de danske Sprogarter (1857), Hagerup, Det. danske Sprog i Angel (2de druk, 1867), Lyngby, Bidrag til en sönderjysk Sproghrre (1858), Kok, Det danske Foïkesprog i Sönderjglland (1863—67), Thorsen, Sprogarter pa Sejerö (Kopenh 1889—94), zich verdienstelijk. Op de eerste deensche spraakkunst in het nederlandsch (anoniem, Amst. 1854) volgden enkele andere, alsook de Bruin’s groote cursus voor zelfonderricht.

Van de oudste Deensche letterkunde is niets in het oorspronkelijke bewaard gebleven; Saxo Grammaticus en de vervaardiger van de noorweegsche Thidreksage roemen de schoonheden der oud-deensche heldenzangen: eenige werden door Saxo in het latijn overgebracht, van andere zijn in latere volksliederen brokstukken bewaard gebleven. Denernarken’s letterkunde begint eerst na de invoering des christendoms en onder den invloed daarvan in de latijnsche taal; uitlegenden en klooster-oorkonden ontwikkelde zich omstreeks het jaar 1100 een gebrekkige kroniek-literatuur; eerst onder de Waldemars (1150—1250) komt het land in nadere aanraking met de europeesehe kuituur; scholastieke vorming, wetenschappelijke opleiding (vooral aan de hoogeschool te Parijs) wordt algemeener; de aartbisschop Andreas Sunesen (overleden 1228) schrijlt een groot scholastiek gedicht: llexaemeron, Svend Aagesen een kleinere en Saxo een grootere llistoria Dankte tot 1185, de laatste, de voorn. bron der oudere deensche geschiedenis en in uitmuntenden stijl geschreven. De oudste gedenkstukken der deensche taal zijn provinciale wetboeken; het oudste hieronder is het wetboek van Schonen (Skaanske Lov, 13de eeuw, in 1853 door Thorsen uitgegeven); in 1241 werd op den Rijksdag te Vordingborg de Jgske Lov (in 1750 door Petersen, in 1853 door Thorsen uitgegeven) gesanctioneeid; voorts zijn nog allerlei gildestatuten enz. voorhanden. Voor de kennis der oud-deensche letterk. zijn verder van belang de Kampe- en Kolkevisen, die echter in vorm en inhoud duitschen invloed verraden; daarnevens ontstonder echter weldra ook echt deensche volksliederen, waarvan Grundtvig een menigte verzamelde en onder den titel Danmarks gamle Folkeviser (5 dln., 1853—90) in het licht gaf, terwijl Steenstrup er een uitmuntend werk: Vore Volkeviser (1891) over schreef. Overigens biedt de letterkunde van de tweede periode der middeleeuwen weinig oorspronkelijks; genoemd moet worden Henrik Harpestreng’s (overl. 1244) Ltrgebog (opnieuw in het licht gegeven door Molbech in 1826), en Peder Lolle’s Ordspraak, een verzameling deensche spreekwoorden (nieuwste uitgave 1889); laatstgenoemd boek werd langen tijd als schoolboek gebruikt. Voorts bestaat de oud-deensche letterkunde hoofdzakelijk uit vertalingen.

De renaissance deed zich in het verre noorden slechts weinig en indirect gelden; niettemin kreeg Denemarken in 1479 zijn hoogeschool en in 1490 zijn eerste boekdrukkerij; maar eerst de reformatie deed ten dienste van practisch-godsdienstige doeleinden een literatuur in de landstaal ontstaan. Christiern Pedersen (omstreeks 1480—1554) is de voornaamste deensche schrijver van het reformatietijdvak, „een Luther voor de deensche taai“; behalve de volksboeken Keiser CarVs Krönike (Kopenhagen 1501) en Oljer Danske's Krönike (Parijs 1514) gaf hij gebeden- en artsenijboeken in het licht, die nog in de 19de eeuw meermalen bijeenverzameld werden uitgegeven; daar de deensche vertaling van het nieuwe testament van Hans Mikkelsen (Leipzig 1524) niet aan de eischen voldeed, bracht Pedersen het nieuwe testament (Antw. 1529) en de psalmen (ald. 1531) uit den grondtekst in het deenseh over, en leidde eindelijk ook de door Christiaan III bevolen overzetting van den geheelen bijbel (Kopenhagen 1550) een nationaal werk, en ten opzichte der taal tevens een meesterwerk. Naast Pedersen maakten zich vooral Poul Eliesen (Vendekaabe), Peter Litle van Roeskilde, Huns Tausen. Petrus Palladius, Niels Hcmmingsen, verdienstelijk ten opzichte der deensche taal on letterkunde. De predikant Hans Thomissön (overl. 1573) gaf in zijn Dansk Psalmebog (1569) een verzameling van de oudste deensche geestelijke liederen. Van de wetenschappen vond na de reformatie allereerst de geschiedkunde beoefenaren: zoo schreven gedurende de 16de en 17de eeuw Hans Svaning de oudere, A. S. Vedel (1542—1016), Arild Hvitfeld (Danmark* likjes Krönike, 10 dln., Kopenh. 1595— 1604), Niels Krag, Claus C. Lyskander (Danske Kanjers Sliigtebog, 1622), J. J. Pontanus, Jonas Rarnus en anderen, deels in de lat., deels in de deensche taal, een groot aantal nationaal-historische werken; in nauwmn samenhang hiermede trad de studie der philologie en der oudheidkunde in het algemeen.

De eerste voortbrengselen der nieuwere deensche dichtkunst zijn afkomstig uit den tijd der reformatie; zij bestaan in hoofdzaak uit aan de bijbelsche geschiedenis ontleende hymnen, berijmde vertellingen en treurspelen; onder het vele onbeduidende onderscheidt zich gunstig het episch-dramatische gedicht Peter Smed (opnieuw uitgegeven door Grundtvig, 1880), gericht tegen het pausdom. Over het algemeen staat de deensche lit. van dezen tijd geheel onder den invloed der duitsche. In de 17de eeuw openbaart zich een voorliefde voor het tot berijmde treurspelen bewerken van bijbelsche verhalen, op het voorbeeld van Rauch (overl. 1607, Kong Salomon’s Hijlding, 1585, Samsotfs Füngsel) en Peder Hegelund (overl. 1614), terwijl Erik Pontoppidanus de oudere (overleden in het jaar 1678) deze reeks van dichters besloot (met Comödie om Tobia Gif ter maal, 1635). Anders Arrebo (overl. 1637) beproefde in zijn Ilexameron (uitgeg. 1661) het eerst een ernstig epischen toon aan te slaan, en Anders Bording (overl. 1677) was zeer bedreven in het lyrisch gelegenheidsgedicht (Poeüske Skrifter, 2 dln., Kopenh., 1735); een hoogeren trap bereikte de deensche dichtkunst met den lyrischen dichter Kingo (1634—1703), die in zijn Aandelkje Sjungechor (2 dln., 1674, laatstelijk 1856) en in bet Kirke-Psahmbog (1869, laatstelijk 1827) een menigte waardevolle geestelijke liederen bood, en met diens tijdgenoot Jorgen Sorterup (overl. 1723), die in zijn Nge Ueltesange (1716) het oude heldenlied nog eens beproefde; naast dezen dichtte de noorweger Peter Dass (overl. 1708) kerkelijke en volksliederen (Nordlands Trompet, 1692, Norsk Daleeise, gedrukt 1713, Aandelig Tidsfordriv, gedr 1711 enz.). Jens Sten Sehested ('overl. 1698) en Povel Juul (overl. 1723), wijdden zich aan de beschrijvende en didactische poezie. Thöger Reenberg’s(overl. 1742) Poetiske Skrifter (1769) munten uit door vloeienden versbouw, zorgvuldige behandeling en ongezochte geestigheid,

Met den genialen Holberg begint een nieuw tijdperk der deensche lit. ; hij stichtte wel is waar geen eigen school, doch werd de grondlegger van het deensche tooneel; Holberg en (in de tweede helft der eeuw) JohannesEwald vertegenwoordigen den bloeitijd der deensche letteren; terzelfder tijd richtte J. Wieland (overl. 1730) in De loerde Tidender (1720—30) ook het eerste orgaan voor wetenschappelijke kritiek op. Het in 1742 opgerichte Genootschap der Wetenschappen en het in 1744 door Langebek opgerichte Genootschap tot verbreiding der noordsche geschiedenis en taal oefenden veelzijdigon invloed uit op de ontwikkeling der taal; het Genootschap tot bevordering der letterkunde en van den esthetischen smaak begon in 1759 prijzen uit te loven voor pennevruchten in proza en poëzie, en gaf de bekroonde inzendingen in het licht (7 dln., Kopenh. 1761—79). J. S. Sneedorff („Patriotisk Tilskuer” 1761—63) en J. Baden („Kritisk Journal” 1768—72, 1774 tot 79) leidden eenigen tijd uitmuntend geredigeerde organen ten behoeve deresthetische kritiek; laatstgenoemde was niet slechts een onpartijdig en degelijk kritikus, maar deed als taalkundige en vertaler (b.v. van Tacitus) ook veel voor de zuiverheid en verrijking der moedertaal; verder maakten zich ook A. G. Carstens (overl. 1795) als kritikus en xlbrahamson (overl. 1812) als taalvorscher verdienstelijk: later oefenden Sander (overl. 1819) en Knud Lyne Rahbek (overl. 1830) als kritici grooten invloed uit op den smaak; de tijdschriften (Minerve 1875, Danske Tilskuer, 1791—1806) van laatstgenoemde kregen vele navolgers. Nevens Holberg traden nog C Falster (overl. 1752) en C. B. Tullin (overl. 1766, Samtliye Skn'fter, 3 dln., gedrukt 1770 tot 73), als dichter op (lyrische en beschrijvende poëzie in den franschen smaak); omstreeks denzelfden tijd leefde ook de tweede beduidende geestelijk-lyrischo dichter der Denen, Hans Adolf Brorson (overl. 1764; Psalmer og aandeelige Sange, 2do druk 1838, Troens rare Klenodie, 1739); J. H. Wessel (overl. 1785) verkreeg door zijn komisch drama Kjerlighed oden Strömper (1772) endoor zijn levendige berijmde vertellingen blijvenden invloed. Onder de dramatici verwierven zich J. Wibe (overl. 1782) met De nyayjerrige Mandvolle (1784), Frederik W. Wiwet (1790) met Datum m Manco (1777), J. Clemens Tode (overl. 1806) vooral met Hpofficererne (17827) en rEgteslcabsdjevlen (1783), Enevold de Falsen (overl. 1808) met Dragedukken, Christinan Olufsen (overl. 1827) met Gulddaasen (1793) een blijvende plaats in de geschiedenis der komische dramatiek, hoewel allen ver bij Peter Andreas Heiberg ten achter staan. Ewald schreef het eerste nationale treurspel (Rolf Krage) en werd de vader der oud-noordsche renaissance in de deensche schoone letteren, als zoodanig onder onmiddellijken invloed staande van de duitschers Klopstock en Gerstenberg; na hem verwerkten allereerst Ole J. Samsöe (overl. 1796, Dyveke) en Levin C. Sander (overl. 1819, Fieh Ebbesen, 1797) zuiver nationale stof tot drama’s, terwijl ook het meerendeel der idyllische zangspelen van Thomas Thaarup (overl. 1821) aan het vaderIandsch verleden zijn gewijd; omstreeks dezen tijd traden nog als lyrische dichters op: de gebroeders C. (overl. 1829) en P. H Friman (overl. 1838), verder Joh. N. Briiun (overl. 1816, patriottische zangen), Jens Zetlitz (overl. 1821, luimige gedichten) en Eduard Storm, (overl. 1794, liederen, fabelen en een satiriek heldendicht). De satiren en luimige dichtstukjes der gebr. P. M. (overl. 1793) en P. K. Tröjel overl. 1784)munten uit door oorspronkelijkheid en geest. C. Pram (overl. 1821) beproefde in het heldendicht Starkodder (1785) het oud-noordsche leven te verheerlijken. Al deze dichters worden echter in populariteit en vruchtbaarheid door Jens Baggesen overtroffen.

Een nieuw tijdperk van bloei brak voor de dichtliteratuur aan met Adam Oehlensehlager, den hoofdvertegenwoordiger van de door Schack Staffeldt (1769—1826) en H Steffens uit Duitschland in Denemarken ingevoerde romantiek. B. S. Ingemann, wiens overspannen, sentimenteele pennevruchten een tijdlang in den smaak vielen, trad eerst als lyrikus op (1811), wijdde zich voorts aan de dramatiek en schreef eindelijk historische romans. Grundtvig (1783—1872), in nog hooger mate dan Oehlensehlager voor den noordschen voortijd met geestdrift vervuld, trachtte in gedichten en mythologische verhandelingen door romantiseerende symboliek het oudnoordsche met het christendom saam te smelten. J. L. Heiberg introduceerde de vaudeville in de deensche tooneelliteratuur, na eerst de Hegeliaansche wijsbegeerte in zijn geboorteland ingang te hebben doen vinden. Andere deensche dramatici uit de eerste helft der Wde eeuw zijn P. Overskou, geestverwant van Heiberg, J. C. Hostrup, wiens blijspelen zeer in den smaak vielen, Erik Bögli, P. Chievitz, C. C. Rosenhoff; ook C. J. Boye dichtte treur- en blijspelen; zijn dichterroem dankt hij echter voornamelijk aan zijn psalmen ; als liederdichters maaken zich vooral Hertz, Heiberg, Andersen, Blicher, H. P. Holst en Rosenhoff populair; Ch. Wnter, vond grooten bijval met zijn erotische, K. P. Ploug met zijn chauvinistische poëzie; P. Möller’s dichtwerken waren de vruchten van een even dichterlijken als wijsgeerigen geest. Op het gebied der novelle muntte vooral uit Steen S. Blicher, die zich met voorliefde bezighield met het Jutlandsche volksleven, K. Bernhard (pseudoniem van Saint-Aubain), en de schrijfster Th. Ch. Gyllembourg—Ehrensvard, wier veelgelezen vertellingen vele herdrukken beleefden, F. J Hansen (pseudoniem Torkel Trane) en J, C. C. Brosböll (Carit Etlar). Terzelfder tijd waren M. Goldschmit, Schack (Phantasternej en Lobedanz de meestge vierde romanschrijvers. Behalve J. Casten Hauch moeten uit dit tijdperk nog vermeld: Henrik Hertz (lyrikus en dramatikus), Frederik Paludan-Möller (wiens satiriek gedicht Adam Homo tot de belangrijkste voortbrengselen van de nieuwere deensche letterkunde wordt gerekend), de jongere Chr. Molbech (een lyrisch talent), H.C. Andersen (door zijn „Sprookjes” over de geheele beschaafde wereld bekend) en Waldemar Thisted (lyrisch dichter en römanschrijver).

Sinds 1871 ontstond in de deensche letterkunde een nieuwe richting, onder den invloed van den begaafden esthetikus en kritikus George Brandes, die onvermoeid de beginselen van het moderne, fransche, radikale, realisme verkondigde. Om den meester schaarden zich weldra een menigte volijverige volgelingen, die met alle kracht en zonder iets te ontzien tegen het oude en „afgeleefde“ te velde trokken; zoo de talentvolle lyrikus en novellist Drachmann, de romanschrijver en dramatikus Gjellerup, de schitterende stijlist J P. Jacobsen (overl. 1885), en de stekelige humorist Sophus Schandorph, die vooral het leven van de onderste lagen der bevolking schetst; deze nieuwe school trad echter met zooveel voortvarendheid op, en werkte zich zelven door uitputtende overdrijving en fanatiek vasthouden aan doctrines zoozeer tegen, dat zij geen tijd had in den nationalen geest door te dringen; van de meestbegaafde voorvechters stierf Jacobsen; Drachmann, Gjellerup, en jongere letterkundigen, als Arne Christiansen, sloegen een nieuw-romantische richting in, die haar stof ontleende aan geschiedenis, sagen en sproken en de daarbij passende rythmische vormen aannam, en wier voortbrengselen meer bijval vonden dan die der vertegenwoordigers van het radikale realisme, als Herman Bang, die zijn niet onbeduidend talent aan ziekelijke affectatie en excentriciteit wijdde, Eduard Brandes, Otto Benzon enz. als dramatici, Claussen, Jörgensen, Michaebs enz. als lyrici; naast al deze bleef langen tijd H. Pontoppidan de meestgelezen novellist.

Gedurende het laatste tiental jaren der 19dc eeuw heersehte in de deensche letterkunde een zekere matheid, een onzekerheid van richting; de realistische en naturalistische richting, die, zichzelven aankondigende als „literatuur der toekomst”, plotseling met revolutionaire programs, aanmatigende leuzen en materialistische levensbeschouwing, daarbij echter ook met onweerstaanbare kracht en frischheid was opgetreden, was snel en als zonder overgang moderichting geworden, en bevond zich even spoedig afgeleefd, niet in staat iets nieuws te leveren; enkele vlijtig doorproduceerende aanhangers begonnen door zichzelven te herhalen te vermoeien, anderen zochten ongeduldig nieuwe wegen te banen, het opkomend intellect maakte zich gemakkelijk los van het tyrannieke, doch onzeker wankelende dogmatisme der realistiek, die nauwelijks in Denemarken tot heerschappij gekomen bijna tegelijkertijd al hare frischheid en energie verloor en bij de jongere geesten niet dan een onbehagelijk gevoel van benauwing kon teweegbrengen. Felle pennestrijd en onvruchtbare probleemdebatten waren hiervan een eerste gevolg. Onder deze omstandigheden leverde de nieuwste letterkunde weinig anders dan beginsel- en planlooze producten op ;. eenerzijds slechts negatie en reactie, anderzijds een hervat omwoelen in den voortijd, alles zonder nieuwe uitgangspunten of vaste grondslagen. De literatuur van den dag stempelde zich de laatste jaren der 19dc eeuw tot eene die zich wel van elk dogmatisme heeft losgemaakt, van het conservatieve zoowel als van het radikale, doch het met zichzelf oneens is, en geheel in pessimisme opgaat.

Schoone kunsten

Bouw-, schilder-, beeldhouw-, graveerkunst. Uit Denemarken, in de dolmen van Jutland en de eilanden, zijn de talrijkste en meest merkwaardige voorwerpen der voorhistorische tijden bijeengebracht De schoone kunsten ontwikkelden zich eerst laat in dit land. De bouivkiiwst niettemin bracht hier, sinds de middeleeuwen, eenige zeer merkwaardige kunstgewrochten voort; ondermeer de kathedraal van Roeskilde, in byzantijnschen stijl, de Saint-Denis der Deensche koningen; de voornaamste bouw'werken echter dateeren van het einde der 16de eeuw; de regeering van Christiaan IV (1588—1648j vormt de eerste periode van een soort renaissance; het voornaamste monument dezer periode is het kasteel van Frederiksborg, een combinatie van de meest uiteenloopende stijlen en dat gedeeltelijk door nederl. kunstenaars werd gebouwd. Vóór de 18de eeuw had Denemarken bijna geen enkelen talentvollen beoefenaar der schilderkunst; de meeste der Deensche schilders arbeidden buiten hun geboorteland; Ismael Mengs, vader van den vermaarden Raphael Mengs, geb. te Kopenhagen, 1690, genoot zijn opleiding van den engelschen schilder Cooper, maakte zich de kunst van het schilderen in email eigen, werd hofschilder van den koning van Polen, en stond later aan het hoofd der kunst-academie te Dresden; Krock (1671—1738) vormde zich te Rome, onder leiding van Maratte en vestigde zich later te Kopenhagen; de noorweger Magnus Berg (1666—1739), ivoorschilder, leidde den Deen Andersen in de kunst op; deze laatste werd hofschilder en liet vele hooggeschatte werken na. Een der voornaamste deensche schilders der 18du eeuw, Jens Juel (1745— 1802), arbeidde eerst in Italië en Frankrijk, vestigde zich later in zijn geboorteland, en leverde vele portretten, landschappen, bloemen fruitstukken. Zijn tijdgenoot Nikolaas Abildgaard (1744—1809) is een der beduidendste der deensche historieschilders. De familie Lund leverde vele talentvolle schilders op: J. L. Lund, historieschilder, arbeidde meest te Kiel, en bloeide op het einde der 18dl- eeuw, J. L. Lund, F. C Lund, Troels Lund, deeorschilder. Onder de deensche schilders der 19de eeuw moeten vermeld G. A. Jensen,.portrettist, J. L. Jensen (1800—1856), leerling van Fritzsch, bloem- en fruitstukken; C. Dalgas (1821—1851), dierschilder, D. Blunk (1800—1853), historie- en genreschilder, C. W. Eckerberg (1783 1853), historie-, zeeen portretschilder, C. Baalsgaard en de schilderes Neergaard, bloem- en fruitstukken, enz. De grootste der kunstenaars die Denemarken heeft opgeleverd, is de beeldhouwer Thorwaldsen (1779—1844), die, na zijn studiën onder leiding van den schilder Abildgaard te hebben aangevangen, naar Italië vertrok en lange jaren te Rome arbeidde ; Thorwaldsen heeft in de kunst met zijn landgenooten niets gemeens; hij bezit noch hun eenvoud, noch hun naïviteit, noch hun liefde voor het werkelijke ; hij is een klassieke meester; onder zijn leerlingen maakten zijn landgenooten Freund en Bissen ook buiten de grenzen des koninkrijks naam. Van de latere beeldhouwers trokken vooral Jerichau, Saabye, Smith, Peters en Hassebriis de aandacht. — De graveerkunst bloeide in Denemarken vooral op het einde der 18de en in den aanvang der 19d(i eeuw; zijn grootmeester in deze kunst, J. F. Clemens (1757—1831), leerling. van Preissler en Wille, arbeidde te Berlijn, te Genève, en vestigde zich ten slotte te Kopenhagen ; hij graveerde naar Juel, Abildgaard, Lorenzen enz.; onder de deensche graveurs van den lateren tijd nemen L. Froelich en Joh. Ballin een eerste plaats in.

De toonkunst stond in Denemarken sinds de 16dc en 17de eeuw in hooge eere, meer dan eenige andere kunst; D. ontving steeds gastvrij buitenlandsche toonkunstenaren en musici, en leverde bovendien zelf een geheele reeks componisten op; onder de eerstbedoelden moeten genoemd de engelschman John Dowland, fluitist van Christiaan IV, de duitschers Hoinrich Schütz, tweemalen directeur van de particuliere kapel van genoemden vorst, Joh. Hartmann, die de muziek van het deensche lied : Kony Christian stod ved hoïen Mast i Boy og Damj), schreef, Friedrich Kuhlau (1786— 1832), vermaard fluitist en componist, en restaurateur van de deensch-nationale opera; de italiaan Giuseppe Siboni (1782—1839), eender meest gevierde zangers van het koninklijk theater en wiens zoon Erik een eerste plaats inneemt onder de dramatische componisten, eindelijk Frölieh, omstreeks 1830 directeur van genoemd theater. Onder de nationale musici zijn de voornaamste : in de 17dl- eeuw Melchior Borchgrevinck, hoforganist, Niels Hansen, theoretikus, later P. Groenland, en bovenal Weyse; een tijdgenoot van dezen laatste was Nissen, tweede echtgenoot der weduwe van Mozart, schrijver van de eerste belangrijke biographie van den schepper van den Don Juan De 19lle eeuw leverde al dadelijk een viertal toonkunstenaars van den eersten rang op: Berggreen, componist van opera’s, cantaten, romancen enz.; Hartmann, particulier kapelmeester des konings, directeur van het conservatorium te Kopenhagen, een der vruchtbaarste componisten zijns tijds en in ieder genre ; Lumbye, bijgenaamd de »Strauss van het noorden“, componist van een menigte dansen, en Niels Gade ; tot dit tijdperk behooren ook de opera-componist Siegfried Saloman en zijn echtgenoote, mevr. Nissen— Saloman een der meest gevierde opera-cantatriees haars tijds. Onder de hedendaagsche deensche musici staat Edvard Lassen, opgeleid te Brussel, bovenaan; verder Asger Hamerik, bekend door twee opera’s en vele symphoniën, en die ook in Amerika (Baltimore) naam maakte; P. A. Heise; de violist en orkest-directeur H. E. Kayser; de pianist A. Ree; Cornelis Gurlitt, componist van sonaten en Ueder; Henrik Böie, dien men komische opera’s, ouvertures, lieder en een muziek voor De Klok van Schiller dankt; J. Beehgard; Victor Emanuel Bendix, bekend door zijn symphoniën, suites d’orchestre, trio's en vocale composities; E. Rung Andersen; fluitist; L. Schyte, pianist, beide laatsten ook verdienstelijke componisten; Fritz Berdix, gevierd violoncellist, evenals Alfred Giessing, zijn leerling; en eindelijk de opera-componist August Enna.

Pers

De courantenliteratuur begon in de tweede helft der 17dc eeuw met een „Europeesch weekblad” (sinds 1663) waarop allereerst Bording’sin alexandrijnen gestelde „Danske Mercurius” (sinds 1666) en „Extraordinaire Relationes” (sinds 1672) volgden. Tot 1830 hadden te Kopenhagen slechts drie bladen het couranten-privilegie, nl. de „Berlingske Tidende”, de „Dagen” (sinds 1803), en de „Kjobenhavens Adresse-Comptoirs Efterretninger” (sinds 1749); behalve enkele officieele artikelen gaven deze bladen slechts uittreksels uit buitenlandsche bladen. Sinds 1830 eerst ontstond een eigenlijke deensche pers; de politieke oppositie kreeg in 1835 haar eerste eigen orgaan: „Fcedrelandet”. De tegenwoordige zg. groote pers bestaat uit de ultraliberale „Politiken” (opgericht 1884), het „Dagbladet” (zie aldaar), de beide eveneens conservatieve bladen „National-tidende” (sinds 1876) en „Dagens Nyheder” (sinds 1868) en de sociaal-demokratische „Socialdemokraten”. De voornaamste geïllustreerde bladen zijn „Illustreret Tidende” (sinds 1859), en „Illustreret Familiejournal” (sinds 1877). Het eerste deensclie poiitiek-sathiek blad was M. Goldschmidt’s „Corsaren” (1846—55). De letterkundige journalistiek begon in D. met de „Nova literaria maris Baltici” (11 dln., Lübeck 1698—1707), die met de „Aeta eruditorum” (117 dln., Leipzig 1682 — 1776) wedijverden; groeten invloed oefenden vooral uit het in 1720 door Joachim Wieland opgerichte „Nyo Tidender om leerde Sager”, dat, later onder den titel „Dansk Literatur-tidende” tot 1836 werd voortgezet, en voorts Schneedorff's „Den patriotiske Tilskuer” (1761—63); de nieuwere stroomingen vertegenwoordigden: „Det nittende Aarhundrede” (1874—77) van de gebroeders Brandes, „Tilskueren” (sinds 1884) achtereenvolgens door N. Neergaard, M. Galschiött en Valdemar Vedel geredigeerd, en het „Dansk Tidsskrift’’; voorts bestaan een reeks geleerde en vaktijdschriften.

Geschiedenis

De oudste geschiedenis van Denemarken, zoowel als vangeheel Scandinavië in het algemeen, is door dichte duisternis omgeven. Eerst omstreeks de lldc eeuw der christelijke tijdrekening begint het duister een weinig op te klaren, zoodat de eigenlijke hist. geschiedenis van dit land zich ternauwernood over een tijdruimte van duizend jaren uitstrekt ; omtrent de daarachter liggende tijden geven slechts de in het land overigens rijkelijk voorhanden oudheden en de bij romeinsche, engelsche en frankische kroniekschrijvers verstrooide berichten eenige onvolledige opheldering ; de sagenliteratuur, gedurende de middeleeuwen in Ijsland opgeteekend, en waaruit ook de eerste deensche geschiedschrijver, Saxo Grammaticus, geput heeft, is wel zeer rijk, doch als geschiedbron ten eenenmale ontoereikend. Slechts zooveel staat vast. dat in den voortijd hier een volk leefde dat zich met gereedschappen van vuursteen, hoorn, beenderen enz. behielp (zg. steentijdvak), later, wellicht door handelsverkeer met de Phoeniciërs en andere zuidel. volken, werktuigen van brons bij zich invoerde (zg.bronstijdvak), enten slotte met het ijzer en zijn grootere bruikbaarheid bekend werd (zg. ijzertijdvak). De deensche gebieden werden reeds vóór de groote volksverhuizing door germaansche stammen bewoond; op de eilanden hielden zich Herulers op, op het schiereiland Saksers, Angelen, Warnen en andere aan deze verwante stammen. Eerst op het einde der 5'1*'-, of in den aanvang der 6dli eeuw, verhuisden de Denen van Scandinavië naar het eilandenrijk, verdrongen of onderwierpen de Herulers, en vestigden zich daarop ook in het n. en o. van Jutland; de Jutten behielden slechts het midden en het westen van hun land, en verbreidden zich sinds de 8ste eeuw langzamerhand over het gebied van het latere hertogdom Sleeswijk. Van de Eider tot aan de grenzen der zweedsche prov. Schonen, Halland en Bleking, ontstonden tal van kleine deensche staatjes of gouwen, die door Gottfred (804— 810), koning van een dezer staatjes, tot een enkel rijk werden vereenigd. Na zijn dood begonnen verschillende pretendenten om de opvolging te strijden. Een dezer, Harald Klag, nam in het jaar 826 op een reis door Duitschland te Mainz het christendom aan. In weerwil van den zendingsijver van Ansgar (overl. 865) handhaafde het oude heidendom, de eeredienst van Odin en de Asengodheden, zich nog langen tijd in het Scandinavische noorden. De heidensehe Denen en Noormannen waren toenmaals als woeste zeeroovers wijd en zijd gevreesd; zij ondernamen rooftochten naar de noordelijke kusten van Engeland en het Frankenrijk en sloegen in 885 zelfs het beleg voor Parijs, hetwelk tot een voor de Franken weinig roemvollen vrede voerde.

De tweede die alle deensche landen onder ééne heerschappij vereenigde was Gorm de Oude (900—935), die tenslotte over Schonen, Seeland, Funen en de overige eilanden, Jutland en Zuid-Jutland (Sleeswijk) regeerde; sedert had Denemarken de volgende heerschers:

Gorm de Oude 900 — 985.

Harald Blaatand 935- 985

Svend 985 —1014

Harald 1014-18

Kmit de Groote 1018-35

Harthakniit 1035-42

Mammis de Goede 1042 — 47

Svend Estndsen 1047 — 70

Harald Hem 1070 — 80

Knut de Heilige 1080 — 80

Oluf Hunger 1080 — 95

Krik I 1095-1103

Niels 1101-34

Erik II 1134-87

Erik III 1187-47.

Prinsenkrijg 1147— 57

Waldemar I 1157-82

Knut VI 1182-1202

Waldemar II 1202-41

Erik IV 1241-50.

Abel 1250-52

Christoffel I 1252 — 59

Erik V 1259-86

Erik VI 1286—1319

Christöffel II 1319-32.

Interregnum 1332 — 40.

Waldemar IV 1340 — 75

Oluf 1375- 87

Margaretha 1387 — 1112

Erik van Pommeren 1112 — 39

Christoffel III van Beieren, 1189-48

Christiaan I 1148 — 81

Johannes 1481 — 1513

Christiaan II, 1513 — 23

Frederik I 1523—33.

Interregnum 1533 — 34

Christiaan III 1531 — 59.

Frederik II 1559 — 88

Christiaan IV 1588 — 1618

Frederik III 1648 — 70

Christiaan. V 1670 —

Frederik LV 1699— 1730

Christiaan VI 1730— 16

Frederik V 1716 — 66

Christiaan VII 1766—1808

Frederik VI 1808-39

Christiaan VIII 1839—48.

Frederik VII 1848 — 63

Christiaan IX, sedert 1863

Gorm noch zijn zoon Harald Blaatand vermochten echter op den duur de overmacht der Duitschers te weerstaan; Gorm werd door Hendrik I overwonnen, terwijl Harald keizer Otto II, die overwinnend doordrong tot aan de Limfjord, huldigen en in de vorming van een duitsch markgraafschap van de landen tusschen Danevirke en Eider berusten moest. Sedert verdrong het Christendom, hoewel uiterst langzaam, den Odindienst. Weldra begon het nieuwe rijk zich naar buiten te doen gelden; Haraids zoon, Svend Gabelbaard, ving de verovering van Engeland en Noorwegen aan, die door zijn kleinzoon, Knut den Groote, werd voltooid; deze machtsuitbreiding hield echter paaar korten tijd stand; Noorwegen schudde het Deensche juk af, Engeland koos zich, toen de zoon van Knut, Harthaknut, in 1042 overl., uit zijn eigen landzaten een koning, en D. zelf kwam door erfverdrag onder de heerschappij van koning Magnus van Noorwegen; echter werd een zusterszoon van Knut den Groote, Svend Estridsen, eerst stadhouder en na Magnus’ dood koning van D. (1047—76); hij werd de stamvader van de dynastie der Ulfingers en herstelde de onafhankelijkheid des lands, doch moest de suzereiniteit van de duitsche keizers erkennen. Na hem bestegen zijn vijf zoons achtereenvolgens den deenschen troon: Harald Hein (1076—80), Knut de Heilige (1080—86), Oluf Hunger (1086—95), Erik Ejegod (1095— 1103) en Niels (1104—34). De zoon van Erik Ejegod, Knut Laward, was hertog van ZuidJutland en werd door keizer Lotharius aan de Obotriten tot koning gegeven. Na diens vermoording door Niel's zoon, Magnus Nielsen, was D. eenigen tijd het tooneel van bloedige binnenlandsche oorlogen, tot ’Waldemar I (1157—82) den vrede en de eenheid des rijks herstelde. Gedurende den laatsten burgerkrijg hadden de strijdende pretendenten keizer Frederik Barba rossa van Duitschl. als scheidsrechter en opperste leenheer van Denemarken erkend, en ook Waldemar moest dezen vorst huldigen (1162); zijn zoon echter, Knut VI (1182—1202), kon reeds ongestraft zijn leenplichten weigeren, die sinds ook niet weder werden hernieuwd; integend. begonnen de Denen weder veroverend op te treden. Koning Waldemar I en zijn vriend, bisschop Axel of Absalon, hadden, den krijgszuchtigen ijver der Scandinaviërs weder opgewekt, en de door de kruistochten onder hen algemeen geworden overtuiging, dat het vermoorden en onder het juk brengen van heidenen een verdienstelijk werk bij God en menschen was, gebezigd ter verovering der door heidensehe Wenden bewoonde duitsche kusten der Oostzee. De volledige uitvoering van het plan van Waldemar leed schipbreuk op de kracht van Frederik Barbarossa en Hendrik den Leeuw ; maar zijne twee zonen, Knut VI en Waldemar II, waren gelukkiger. De eerste onderwierp een groot gedeelte van Pommeren en Meeklenburg, en ook het landschap Holstein, nam den gebieder van het laatste, Adolf van Schauenburg, gevangen, veroverde Lubeck en Hamburg, en nam den titel aan van „koning der Denen en Wenden.” Zijne rooftochten strekte hij zelfs tot over den Oder in het Brandenburgsche uit. Zijn broeder, Waldemar II (1202—41), liet zich terstond na zijne verkiezing te Lubek onder groote plechtigheden als koning der Denen en Wenden en als beheerscher van Noord-Albingie (Holstein) kronen. Vervolgens maakte hij van de gevangenschap van graaf Adolf van Lauenburg gebruik om de bezetting van Lauenburg te dwingen zich over te geven. Lauenburg werd den Denen ingeruimd, en Adolf moest, om de vrijheid te verkrijgen, zijn duitsch rijksleen Holstoin aan koning Waldemar overlaten on zich terug trekken in zijn erfelijk graafschap Schauenburg aan de Wezen Hierop ondernam Waldemar niet alleen veroveringstochten naar Estland en Lijfland, maar breidde ook door nieuwe ondernemingen tegen Dommeren en Mecklenburg zijn gebied aan de Duitsehe zijde der Oostzee nog verder uit, liet een brug over de Elbe bouwen, en legde in het land tusschen Wezer en Elbe allerlei vestingwerken aan; in Estland en Lijfland bereikte hij zijn oogmerk zonder groote moeite, omdat de daar gevestigde duitsehe volksplanters van de orde der zwaardbroeders en de geestelijkheid van die streken vergeefs de hulp van den keizer en het duitsehe rijk tegen hem inriepen. Ook kwam hem daarbij, zoowel als bij andere ondernemingen, de omstandigheid te stade, dat het deensche rijk toenmaals wettelijk beter georganiseerd was dan eenig ander europeesch land, bovenal ten aanzien van het krijgswezen. Zoodra een leding of krijgstocht aangekondigd was, moest in Denemark., gelijk allerwege, de adel ten strijde toegerust opkomen; de overige grondeigenaars moesten bovendien al naar de waarde hunner vaste bezittingen, een bepaald aantal schepen en mannen leveren. Derhalve kon Waldemar met veertien honderd schepen en een daarmede in verhouding staand leger naar Lijfland trekken; onder deze vloot bevonden zich vijf honderd zoogenaamde lange schepen, elk met honderd en twintig man, die meest door de steden geleverd waren. Weldra gold het gezag van Waldemar van den finschen zeeboezem af tot Stade, zelfs het zweedsche rijk niet uitgezonderd, en hij beveiligde door zijne maatregelen gedurende den vrede wat bij door het zwaard verkregen had. Hij stichtte Straalsond, verleende aan de nieuwe stad zeer belangrijke rechten, vaardigde wetten uit, en verwierf zich eindelijk van Frederik II van Duitsehland de keizerlijke toekenning van alles, wat hij vroeger met geweld aan zich getrokken had. Frederik maakte in 1214 ten behoeve van zijn persoonlijk belang eene door hem en dertien duitsehe vorsten onderteekende acte op, waarbij hij, hoewel nog niet in het bezit der duitsehe kroon, aan koning Waldemar het aan gene zijde der Elbe en Elde (niet Eider) gelegen duitsehe grondgebied en de in het land der Wenden gemaakte veroveringen als deensche bezitting afstond. Doch ook ditmaal was de onnatuurlijke machtsuitbreiding der Denen van korten duur; Graaf Hendrik van Schwerin deed den machtigen koning der Denen geheel onverwacht van het toppunt zijner macht nederstorten. Hendrik regeerde het graafschap Schwerin gemeenschappelijk met zijnen broeder Gunzelin, en beide broeders hadden reeds in 1213 den deenschen koning als hunnen leenheer moeten erkennen. Nu bracht Waldemar in het jaar 1217 een huwelijk tot stand tusschen zijn natuurlijken zoon, graaf Nicolaas van Halland, en de eenige dochter van Gunzelin, en deze wees zijn dochter als huwelijksgoed zijn aandeel in de goederen van Schwerin aan, waartoe zelfs de helft van het stamslot Schwerin behoorde Toen Gunzelin niet lang daarna stierf, betwistte Hendrik het recht zijner nicht op het graafschap Schwerin, en verzette zich tegen de inbezitneming; daarvoor ontrukte hem echter Albrecht van Orlamunde, de deensche stadhouder-generaal van alle landen aan deze zijde van den Eider, niet alleen het geheele stamslot, maar hij beroofde hem zelfs van de hem behoorende helft van het graafschap. Hendrik was te zwak om zijn land te heroveren; hij poogde derhalve door list te bereiken, wat hij door geweld niet verkrijgen kon, en zijne onderneming werd door buitengewoon geluk bekroond. Hij begaf zich, nadat hij met eenige heeren in het Mocklenburgsche en Luneburgsche afspraak gemaakt had, naar het deensche hof, vergezelde koning Waldemar op zijne jachtpartijen en zocht eene gelegenheid, om hem gevangen te nemen. Deze deed zich voor bij eene jachtpartij op een klein eiland (Löye) bij Funen. Hendrik overviel den koning en zijnen zoon des nachts in eene tent en maakte zich meester van beiden, trots den tegenstand, dien Waldemar bood, en waarbij hij gewond werd. Hendrik sleepte de gevangenen naar een gereed liggend schip, voer met hen over naar Mecklenburg, bracht hen van daar naar het Luneburgsche en liet hen hier in het slot Dannenberg, dat aan een zijner vrienden en bondgenooten toebehoorde,bewaren (1223).Vergeefs beijverde zich paus Honorius III, door de Denen daartoe aangezocht, voor de vrijlating van den koning ; de pauselijke vermaningen konden zooveel te minder gevolg hebben, daar keizer Frederik II zelf niet alleen zijne ondersteuning weigerde aan de pogingen van den paus, maar zich zelfs moeite gaf, om den deenschen koning in zijne eigene macht te bekomen. Aan de eene zijde gelastte Frederik wel aan zijn rijksbestuurder in Duitsehland, den aartsbisschop Engelbrecht van Keulen, om zijne bemiddeling aan te bieden, maar aan de andere zijde liet hij door de bisschoppen van Wurtzburg en Hildesheim aan den graaf van Schwerin al het mogelijke beloven, als hij Waldemar aan den keizer zou uitleveren. De paus droeg de behandeling der zaak daarop aan denzelfden Herman van Salza op, die eenisre jaren later ook tusschen Gregorins IX en Frederik als bemiddelaar optrad, en nu werden onderscheidene samenkomsten gehouden, waarin men de voorwaarden der vrijlating van Waldemar vaststelde De laatstgenoemde moest niet aileen aan graaf Hendrik een losgeld van veertig duizend mark zilver betalen, maar ook de veroverde duitsehe landen terug geven aan het rijk, ja zelfs zijn eigen deensch rijk van don keizer in leen nemen. De gevolmachtigden der Denen en koning Waldemar bewilligden alles, alleen de afhankelijkheid hunner kroon van den duitschen keizer gaven zij niet toe. Daardoor mislukte de geheele zaak. Keizer en rijk namen nu hunne bemiddeling terug en de wapenen worden te hulp geroepen om te beslissen.

Graaf Hendrik had intusschen vele machtige bondgenooten verkregen, en toen Albrecht van Orlamunde, dien de Denen na de gevangenneming van Waidemar tot hun rijksbestuurder benoemd hadden, met een leger in Holstein verscheen, trokken hem behalve Hendrik nog de burggraaf van Wettin, de graaf van Werle, de heer van Luneburg en de zoon van den verdreven graaf van Holstein, Adolf IV, tegen. Bij Mölln kwam het in 1225 tot een hevig gevecht, dut geheel ten nadeele der Denen uitviel. Hun leger werd vernield en Albrecht van ürlamunde gevangen genomen. Nu begonnen de onderhandelingen opnieuw, en daar Frederik in Italië bezet en zijn zoon Hendrik nog een kind en de rijksbestuurder Engelbrecht kort te voren vermoord, en er derhalve eigenlijk in Duitschland geen bestuur meer aanwezig was, kwam men weldra tot een einde. Graaf Hendrik en zijn bondgenooten gaven ten aanzien van het rijk toe en bedongen daarentegen grootere voordeelen voor zichzelven. De Denen moesten in een losgeld van vijf en veertig duizend mark toestemmen, de geheele streek tusschen Blbe en Eider en het land der Wenden, met uitzondering van het eiland Rugen, aan het duitsche rijk teruggeven, aan graaf Adolf als heer van Holstein de vesting Rendsburg afstaan, aan de Lubeckers, Hamburgers en aan alle andere met Denemarken handel drijvende duitsche steden de vroegere vrijheden en rechten weder toekennen en voor de nakoming van dit alles gijzelaars stellen. Zoo gingen de vruchten van alle veroveringen geheel verloren en behield Waidemar van de uitgestrekte buiten] andsche deensche bezittingen alleen het recht der opperheerschappij van Esthland en eenige kleine streken in Lijfland, wat spoedig een eerder lastig dan nuttig overschot bleek. Nadat dit verdrag aangenomen en bezworen was, verkreeg Waidemar op het einde van het jaar 1225, en zijn zoon in de lente van het volgende jaar, de vrijheid terug. Waidemar was nauwelijks in Denemarken teruggekeerd, of hij ondervond al het drukkende der aangegane verplichtingen en wendde zich tot den paus. Honorius hief het gesloten verdrag op en vermaande Hendrik van Schwerin met dreigende woorden, om af te zien van de daarop rustende eischen. De graaf bekommerde zich echter weinig om den paus. Hij had waarschijnlijk de handelwijze van Waidemar reeds vooruit verwacht, omdat het de gewone uitvlucht was, waarvan de machtigen van dien tijd zich bedienden, als zij een gezworen eed niet houden wilden; onderwijl Waidemar zich van het verdrag ontbinden liet, sloot graaf Hendrik reeds een verbond met hertog Albrecht van Saksen, met den aartsbisschop Gerhard van Bremen en met verscheidene andere vorsten, die volstrekt geen deel genomen hadden aan de onderhandelingen over de vrijlating van den deenschen komng, die den kleinzoon van Hendrik den Leeuw, Otto het Kind, tot bondgenoot kreeg; Otto bezat het brunswijksch-luneburgsehe gedeelte der grootvaderlijke erfenis, was reeds in 1224 nauw met de Denen verbonden geweest en zag thans zijn kans het rijk van Hendrik den Leeuw terug te krijgen. Waidemar viel mot zijn leger in Holstein, was echter toen tot zijn ongeluk verblind genoeg, om de vrije Dithmarschen te dwingen hem, den veroveraar, met hunne democratisch ingerichte troepen te vergezellen. Bij Bornhöved ontmoette hij in Juli 1227 het leger zijner vijanden en leed nog eens eene volkomene nederlaag. Volgens de deensche berichten waren het de Dithmarschen, die het verlies van den slag veroorzaakten, en wel door opzettelijk terug te trekken of zelfs hunne wapenen met die der vijanden te vereenigen. Waidemar zetfwerd gevaarlijk gewond en Otto het Kind gevangen genomen. De belangrijkste gevolgen van dezen veldslag waren de vernietiging der deensche heerschappij in Noord-Duitschland, de geheele vrijmaking der stad Lübeck, en de bevestiging van den demokratischen vrijstaat der Ditmarschen. Het deensche rijk bleef beperkt tot de Eidergrens.

Na Waldemar’s dood (1241) werd het deensche rijk ongelukkiglijk onder zijn zonen verdeeld; hieruit ontstonden onmiddellijk nieuwe binnenl. onlusten, waarvan die van Lübeck partij trokken om de deensche vloot te vernietigen, terwijl in 1249 zelfs Kopenhagen, toen echter een onbelangrijke plaats, in hunne handen viel. Het einde van dezen burgeroorlog was als dat van alle dergelijke oorlogen der middeleeuwen: verarming beider krijgvoerende partijen en vermeerderde ellende van het voor de eer- en heerschzucht des adels boetende landvolk. Onmiddellijk na het herstel van den binnenl. vrede nam Erik VI, de oudste der broeders, en die ’t uitsluitend recht had den koningstitel te voeren, het besluit om de laatste krachten des rijks tegen Estland in te spannen; hij maakte toebereidselen tot een tocht derwaarts, waarvan de kosten echter de geldelijke draagkracht van het land ver te boven gingen, en hief bij deze gelegenheid van elke ploeg een belasting, die zulk een haat jegens hem verwekte, dat men hem den spotnaam Ploegpenning gaf; nog voor de toerustingen voltooid waren, viel de koning als offer van een door zijn broederAbel gesmeedc samenzwering; hij werd nl., toen hij aan een uitnoodiging van Abel gehoor gaf, door diens bewerking onderweg overvallen en, nadat men hem had laten biechten, onthoofd, waarop men zijn lijk, mot lood en steenen bezwaard, in een rivier liet zinken (1250). Door deze gebeurtenis, die het diepe verval der deensche beschaving bij den adel in het licht stelt, kreeg de aristokratie (hooge geestelijkheid en adellijke grondeigenaars), naast welke de boerenstand op de rijksdagen in het geheel niets en de nog onbeduidende steden weinig beteekenden, een zeer groot overwicht; zij beschikte thans over den troon en werden daardoor machtiger dan de koning, die te erkennen had dat hij het rijk aan haar verkiezing en niet aan zijn geboorterecht te danken had.

Abel vond de eenige bron van inkomsten voor de koningen, de steden, verpand; om ze in te lossen schreef hij een buitengewone belasting uit, die door de stenden werd goedgekeurd ; de Denen schijnen deze schatting zonder tegenspraak te hebben betaald; de vrije Strand- of Noord-Friezen echter, die nevens de Ditmarschen in Sleeswijk woonden kwamen in verzet, daar zij zich enkel tot een regelmatige jaarlijksche opbrengst verplicht achtten; toen men door geweldmaatregelen den eisch klem bijzette, grepen zij naar de wapenen; in den oorlog die hieruit volgde had hun land onuitsprekelijk te lijden; zijzelven konden buiten hunne moerassen en poelen den strijd met de bereden ridderschap niet volhouden; toen zij echter het leger der Denen in eene streek, waar slechts voetvolk gebruikt kon worden, onvoorzichtig gelegerd zagen, brachten zij het eene verschrikkelijke nederlaag toe. Het deensche voetvolk verkeerde in eenen jammerlijken toestand, zooals gewoonlijk bij de leenroerige legers; daarentegen waren de Noord-Friezen op eigenaardige wijze gewapend en tot den strijd te voet op een voor hen gunstigen grond voortreffelijk geoefend. Toen zij daarom tegen het leger der Denen oprukten, waagden dezen het niet eens hun aanval af te wachten, maar sloegen op de vlucht. De koning verzamelde de vluchtelingen weliswaar weder en behaalde met zijne ruiters eenige voordeelen, maar werd terstond daarop met zijn geheele leger verslagen. Dit gebeurde in het jaar 1252, vier jaren vóór dat de stamverwanten der Noord-Friezen, de WestjFriezen, in den strijd voor hunne demokratische rechten Willem van Holland, versloegen.

Abel liet wel een zoon na, maar deze was op de terugreis van Parijs, waar hij gestudeerd had, door de aristokratie van Keulen naar de wijze der ridderschap van dien tijd en der Kurden en Arabieren van alle tijden, overvallen en werd door haar in harde gevangenschap gehouden. Christoffel I, broeder van Abel, werd daarom door dezelfden, die voorheen den broedermoorder op den troon verheven hadden, tot koning benoemd. Onder Christoffel leed het rijk door veeten met de graven van Holstein en zijnen bondgenoot, den markgraaf van Brandenburg, alsmede dooreen vereenigden aanval der koningen van Noorwegen en Zweden en door de plunderingen der Lubeckers. Tegelijkertijd v/erd de zwakke band, die tot hiertoe Estland en Lijfland aan Denemarken verbonden had, bijna geheel los gereten, daar in deze landen met de toenemende zwakheid der Denen de macht der steden aanwies, en de zwaardbroeders door hunne vereeniging met de orde der duitsche ridders nieuwe kracht verkregen. Onder Christoffel vielen ook de kerkelijke twisten waartoe aartsbisschop Jacob Erlandson aanleiding gaf door allerlei met het in D. geldige kerkrecht strijdige handelingen, waarop de koning zich van een later meermalen in andere landen (Duitschland, Engeland) toegepasten maatregel tegen de geestelijkheid bediende: hij zeide haar de bescherming harer goederen en eigendommen op, deze daarmede prijs gevende aan de roofzucht der ridderschap en haar aanhang; de geestelijkheid daarentegen riep het woeste, op den adel fel gebeten en door deze diep geminachte landvolk voor zich op; de toestand werd zoo dreigend, dat Christoffel ten slotte genoemden aartsbisschop liet overvallen en gevangen zetten; de andere bisschoppen kondigden daarop den ban en het interdict af, doch slechts in weinige streken had dit invloed; de vijandschap tusschen de koningspartij en de geestelijkheid, en daardoor de binnen!, verwarring en spanning, werd inmiddels gedurig grooter; eindelijk zou zelfs een der geestelijken den vorst door een vergiftigde hostie van het leven hebben beroofd.

Daar Christoffel een minderjarigen zoon, Erik V Glipping, naliet, voor wien zijn moeder een tijdlang als voogdes regeerde, haastte de oppositie zich, in bondgenootschap met den vroeger uitgesloten zoon van koning Abel (graaf Erik van Sleeswijk), alle voordeelen te trekken van de verlegenheid eener van alle zijden in het nauw gedreven vrouw; zij riep, behalve Erik, diens schoonvader, den vorst van Rugen, en de graven van Holstein in het land en nu waren weldra Seeland, Sleeswijk en Jutland het tooneel van een verwoeden oorlog, die niet alleen niet eindigde toen Margaretha in 1261 den gevangen aartsbisschop de vrijheid hergaf, maar daardoor nog te feller werd voortgezet, daar deze aan de regentes minder nog wilde toegeven dan vroeger aan haar gemaal; graaf Erik bleef daarbij onverzettelijk in zijn eisch, dat zijn hertogdom Sleeswijk naar duitsche wijze een erfland zou zijn. In een veldslag, dien de jonge deensche koning bij Sleeswijk aan zijn vereenigde vijanden leverde (1261) werd hij volkomen verslagen en viel met zijn moeder in handen van de graven van Holstein; hij zelf werd aan den markgraaf Otto lil van Brandenburg overgegeven, bij wijze van betaling voor bewezen diensten; de koningin echter bleef in de macht der Holsteiners. Hertog Albrecht de Lange van Brunswijk, een bloedverwant, koos onverwacht voor beiden krachtig partij, en viel, door de Lubeckers gesteund, in Holstein, dwong onder medewerking van een pauselijken legaat, de vrijlating der koningin af, en werd door haar uit dankbaarheid daarop tot rijksbestierder van D. benoemd; de bevrijding van den jongen koning, voor wien Otto een ontzaglijk losgeld eischte, werd eerst een jaar later door zijn huwelijk met de nicht van Otto bewerkt; Albrecht beijverde zich als rijksbestierder van D. minder om den vrede en de rust te herstellen, dan om de koningin wraak te verschaffen op haar vijanden; hij trad met groote hardheid tegen de geestelijkheid op en maakte zich zoo gehaat, dat hij reeds in 1263 het land moest verlaten.

Na de terugkomst van Erik V Glipping hernieuwde zich de strijd met de geestelijkheid; Jacob Erlandson en drie andere bisschoppen moesten het land verlaten en een nieuw interdict werd over D. uitgesproken, geestelijken en wereldlijken bestreden elkander met woest geweld, alle orde scheen vernietigd, en de onderdrukking der arme deensche boeren werd door de invoering der lijfeigenschap voltooid. Den koning ontbrak het ondertusschen niet aan kracht, werkzaamheid en ondernemingsgeest, hij was zelfs in zijn strijd met de geestelijkheid ten slotte gelukkiger dan eenig ander vorst in Europa. De geestelijkheid kwam daarop op eene kerkvergadering onder pauselijke bemiddeling met den koning tot overeenstemming, en de zaak werd ten voordeele des laatsten bijgelegd.' Ook in Slees wijk handhaafde Erik zijne rechten tegen den hertog, en in Zweden, alwaar hij zich in de binnenlandsche twisten mengde, oogstte hij veel roem. Daarentegen vernietigden zijne pogingen, om het recht der opperheerschappij in Estland en Lijfland te handhaven, zelfs het laatste overblijfsel van den handel, dien de Denen vroeger tusschen deze landen en Italië gedreven hadden. Deze handel kwam in de handen der duitsche steden, waaraan Erik talrijke voorrechten en marktvrijdommen, en zelfs het rechtsgebied over hare ondergeschikten in het deensche gebied verleende. Bekender nog dan door de vaardigheid en krachtige werkzaamheid, die Erik V in zijne ondernemingen aan den dag legde, is hij door zijn veranderingen in het staatkundige en kerkelijke recht van Denemarken. Van de beschikkingen, die hij te dien opzichte maakte, kunnen hier evenwel slechts de punten aangestipt worden, noodig om de verhouding zijner begrippen van recht tot de tegenwoordige in het oog te doen vallen'; Erik ontnam aan het onderdrukte volk het laatste overschot zijner vrijheid, die in de twaalfde en dertiende eeuw trapswijze was ondergegaan, daar hij met weinige uitzonderingen en beperkingen de vrije rechtspleging aan de wereldlijke en geestelijke grootbezitters toestond, en daardoor de ,oude volksgerichten vernietigde. Over het algemeen werd door Eriks wetten de vrijheid des volks geheel op de geestelijkheid en den adel overgedragen. De koning verleende namelijk aan zijn grooten in 1282, zonder daarbij in het minst zich om het volk te bekreunen, een merkwaardigen vrijheidsbrief, waarin hij den adel en de geestelijkheid een jaarlijkschen rijksdag (het zoogenaamde Denenhof) toestond, en hun niet alleen het recht gaf, om noch' aan gevangenneming, noch aan straf zonder gerechtelijk onderzoek onderworpen te zijn, maar hun ook veroorloofde, om zich door eene vrijwillige verbanning aan de straf voor eenige misdaad te onttrekken. Hij beloofde buitendien een strenge handhaving der wetten van Waldemar II, vooral ten opzichte der kerk. Wat zijne maatregelen van inwendig bestuur aangaat, zoo vervielen hij en de stenden in den ook elders dikwijls beganen misslag, om den staat met de mode in een bestendigen krijg te wikkelen. Op ecnen rijksdag werd namelijk bepaald, dat niemand goud of zilver of eenig sieraad der kleeding gebruiken mocht, dat zelfs de koning geene kleeren met open spleten mocht dragen, en dat het niemand tot schande zou verstrekken, zoo hij zijne kleederen langer dan een jaar droeg. Het bier werd bij deze bepalingen insgelijks tot eene zaak des rijks gemaakt, daar men ook nopens den handel daarin bijzondere voorschriften maakte. Voorts hief hij de verplichting der geestelijken en der kloosters, om reizigers onderdak te verschaffen, op, en beval de oprichting van herbergen ; aangaande het misdrijf van moord werd besloten dat de moordenaar de bloedverwanten van den verslagene met geld, niet met vee of met koopwaar zou tevreden stellen; tevens werd de bloedwraak in beginsel bij de wet toegestaan, daar voorgeschreven werd dat hij zich zoolang de moordenaar leefde tot deze moest beperken, en ook bloedverwanten niet voor de betaling van het zoengeld mochten worden aansprakelijk gesteld.

Deze bevoorrechting der grooten, tengevolge waarvan een honderdtal personen den staat vormden, en het overig deel der bevolking in diepe'afhankelijkheid en lijfeigenschap werd gestort, terwijl dit rechtlooze deel daarenboven alle lasten van den staat op zich gewenteld zag, sleepte naderhand bij elke verkiezing van een nieuwen koning afpersing door de oppermachtige grooten van nieuwe voorrechten na zich; Erik II zelf werd een der eerste offers der woeste ridder-oligarchie en viel door de hand van een harer roof helden; Erik had n.l. zijn maarschalk Stigo in diens echtgenoote beleedigd; deze verbond zich daarom met een aantal andere grooten tot een bloedige wraakoefening, en Erik werd in 1286 door de saamgezworenen in den slaap vermoord; de daders wisten zich eerst een tijdlang te verbergen, vluchtten toen dit niet langer doenlijk was naar den koning van Noorwegen, en ontvingen van deze niet alleen alle bescherming, maar konden ook in vereeniging met Noorweegsche vrijbuiters gedurende geruimen tijd roof-invallen in Denemarken doen, met deze handelwijze duidelijk den aard der vaderlandsliefde van de grooten dier dagen in het licht stellende. Ook de naaste bloedverwant van den vermoorden koning, Waldemar van Sleeswijk, had, naar het algemeen gevoelen, aandeel aan den moord; hij werd echter door een rechtbank van onderzoek vrijgesproken; daar Erik’s zoon en opvolger, Erik VI Menved (1286—1319) slechts twaalf jaren oud was, werd genoemden Waldamar, als naaste bloedverwant, voor eenigen tijd het regentschap opgedragen. De jonge koning, die na eenige jaren zelf de regeering aanvaardde, onderscheidde zich door zachtheid en vriendelijkheid; bij het diepe verval en de uitgeputheid van het land, brachten hem de onophoudelijke invallen en rooftochten der Noorwegers en de met deze verbonden gevluchte moordenaars zijns vaders in groote verlegenheid, waarom hij hulp zocht bij zijn naburen, Zweden en Duitschland; den Zweedsehen koning, Magnus I, wist hij door een dubbel huwelijk aan zich te verbinden en de Duitsche hanzesteden, die evenals Denemarken) de zeerooverij der Noorwegers hartelijk moede waren, verbonden zich gaarne tot een gemeenschappelijken strijd tegen deze; terzelfdertijd zochten de Denen opname bij het verbond der Hanze, hetgeen zij te eerder hoopten te verkrijgen nu zij kort te voren het beschermrecht over de stad Rostoek hadden verworven; het genoemd verbond was echter te sluw en te naijverig op zijn vrijheden om hierin toe te stemmen. Het protectoraat over Rostoek wikkelde Denemarken in alle twisten en geschillen van den Mecklenburgschen adel: en men schreef de deensche politiek zelfs het plan toe om het oude Oostzeerijk van Waldemar II te herstellen, vooral toen in 1293 de moeder van den deenschen koning met den graaf van Holstein-Kiel huwde, en daarmede Denemarken, behalve de hulp van haar bloedverwant, den markgraaf van Brandenburg, ook den bijstand der Holsteiners verzekerde. Door deze op baatzucht en berekening berustende bondgenootschappen en betrekkingen in tallooze kwestiën en twisten gewikkeld, geraakte de deensche regeering ook nog met paus Bonifacius VIII in geschil. De aartsbisschop van Lund, Jens Grand, verdacht van in den moord op Brik V betrokken te zijn, en later door een der saamgezworenen zelfs openlijk aangeklaagd, werd op bevel van Erik VI met een list gevangen genomen, mishandeld en in een afschuwelijken kerker gevangen gezet, waar de kerkvorst in ketenen aan honger en ellende van allerlei aard werd overgegeven — een handelwijze, die door den pauselijken ban, het interdict en een dagvaarding van den vorst naar Rome werd gevolgd ; de aartsbisschop wist inmiddels uit zijn gevangenis te ontkomen, en Erik, die, hoewel als zachtzinnig geschetst, op barbaarsche wijze tegen het kapittel van Lund gewoed had, zond ten slotte zijn kanselier naar Rome; nadat het geschil nog eenige jaren gehangen had, besloot de koning zijn persoonlijke gevoelens van wrok enz. aan zijn belangen op te offeren; hij aanvaardde schriftelijk de bul Unam Sanctum, die de wereldlijke macht nadrukkelijk aan de geestelijke onderwierp, en erkende den paus als zijn rechter; deze handelwijze, die vele protesten uitlokte, bracht den koning velerlei voordeelen aan, vooral doordat hij de handen ruim kreeg; hij ontrukte aan Waldemar van Slees wijk de eilanden, waarover deze gedurende zijn regentschap zich het bestuur had aangematigd, en maakte van de in Holstein en Mecklenburg heerschende verwarring gebruik om zich als opperheer in deze landen en zelfs in de stad Lubeck te doen gelden. In noordelijk Duitsehland n.l. was het aanzien des keizers, dat in het • midden en zuiden van het duitsche rijk weinig te beteekenen had, geheel te niet gegaan; de steden, graven en heeren van Holstein en Mecklenburg koesterden daarom evenmin vrees voor den duitschen keizer als dat zij op diens bescherming konden hopen; het gevolg hiervan was, dat in deze op veelvoudige wijze verdeelde landen bestendige twisten en veeten bestonden, wat aan het naburige D. gelegenheid gaf zijn bemiddeling en bescherming op te dringen. Vooral was voor de graven en heeren, die hunne boeren tot den staat van lijfeigenschap verlaagd hadden, de demokratische regeeringsvorm der strijdbare Ditmarschen, en der altijd in welvaart en macht toenemende steden een doorn in het oog, te meer daar de eersten zich te land en te water dikwijls roof en geweldenarijen jegens hunne naburen veroorloofden. In 1289 geraakten de graven van Holstein ook met hunne eigene ridderschap in twist, en joegen die uit het land. De verdrevene ^vasaüen wreekten zich door verwoestende rooftochten, die alle wegen onveilig maakten, en hetgeheele land tusschen de Bill en de Trave in eene halve woestenij herschiepen. Dit noodzaakte de stad Lubeck zich in den strijd te mengen, en daar zij daardoor in het gedrang kwam, moest zij den koning van Denemarken tot beschermheer aannemen. Ook de graven van Holstein en hertog Hendrik van Mecklenburg werden naderhand gedwongen, de opperheerschappij van den deenschen koning te erkennen, en het had eindelijk allen schijn, alsof werkelijk het vroegere deensche rijk aan de overzijde der Oostzee weder hersteld zou worden. Zelfs in Estland en Lijfland hoopte Erik zijne rechten te kunnen doen gelden, niettegenstaande hij tegelijkertijd met zijn heersehzuchtigen broeder, den lateren koning Christoffel II, en met den opgestanen adel in Jutland te strijden had, en zelfs in de oneenigheden der Zweden gewikkeld werd. Deze weder opbloeiende macht van het deensche rijk duurde evenwel slechts korten tijd, en ging van het groote nadeel vergezeld, dat de hulpmiddelen, waardoor de koningen zich in het binnenland aanzien en macht hadden kunnen verschaffen, tot verrijking der duitsche vorsten en ridders dienden. Bij den dood van Erik waren de kroongoederen, uit wier inkomsten de kosten der regeering en van het koninklijke hof voornamelijk bestreden hadden moeten worden, grootendeels aan duitsche vorsten en aan ridders en bondgenooten, die Erik gebruikt had, om aan de kusten der Oostzee te schitteren, verpand.

Toen Erik Menved in 1319 stierf, matigden zich de deensche grooten dezelfde macht ten opzichte van het bezetten van den troon aan, als de duitsche hadden gedaan; ook zij wilden het recht hebben om den prins, die hun het liefst was, tot koning te benoemen. Zij bedienden zich van de onophoudelijke veeten, die Eriks broeder, Christoffel II, met dien gehad had, om hem de opvolging te betwisten en op deze wijze tot nadeel des volks nieuwe rechten te verkrijgen. Eerst na eene onderhandeling van twee maanden en nadat zij eene kapitulatie of eenzijdige constitutie van Christoffel afgeperst hadden, erkenden zij hem als koning ,en zijn zoon Erik als mederegent. De heeren, die dit verdrag maakten, gaven daarbij zoo weinig acht op de omstandigheden, dat zij, in weerwil dat bijna alle kroongoederen in vreemde handen waren, den koning voorschreven, om van hen noch tollen, noch andere opbrengsten te mogen vorderen, eene voorwaarde, die, gelijk te voorzien was, niet vervuld kon worden. Voor het overige toont de inhoud dezer constitutie, in verband met de voorvallen uit den eerstvolgenden tijd, hoe gemakkelijk het is om de beste besenikkingen te maken en in alle vormen te waarborgen, en hoe moeielijk of onmogelijk vaak om ze ten uitvoer te leggen. De nieuwe deensche staatsregeling bevatte enkele voortreffelijke bepalingen, ofschoon daarin voor de arme boeren niets te vinden is. Nevens de vrijheid van den koophandel worden zoo wel de rechten van de' kooplieden, als ook die van eene zekere klasse van vrije burgers en van de niet tot de heerenstand behoorende adellijken verzekerd, als de voorrechten der heeren en prelaten. De geheele loop der rechtsgedingen en de ondergeschiktheid der verschillende rechtsambten wordt vastgesteld, en elk is gewaarborgd dat hij slechts voor een bepaald gerechtshof geroepen kan worden, alsmede dat openlijke volksgerichten de persoonlijke vrijheid beschermen. Van de volksgerichten wordt den veroordeelde, ofschoon misschien niet uit een juist prijzenswaardig bijoogmerk, het hooger beroep op den koning en de rijksvergadering toegestaan. De rijksvergadering zelve moet jaarlijks bijeen komen, en de koning mag daarvan geen lid ten opzichte van dat, wat tot verdediging der lands- en volksrechten gezegd wordt, ter verantwoording roepen.

Evenals de grooten poogde ook de geestelijkheid toenmaals uit den staat van zaken in Denemarken voordeel te trekken. Christoffel en zijn zoon werden niet eer gekroond, dan nadat zij in 1322 de vorderingen van den deenschen aartsbisschop en van denpauselijken legaat bevredigd hadden, en de paus zelf schreef aan de deensche rijksstenden, dat hij elke kroning, die niet door den eerste verricht of goedgekeurd was, voor ongeldig verklaarde. Voor het overige trachtte Christoffel zich tegen de overmacht der grooten daardoor te beveiligen, dat hij de naburige duitsche vorsten voor zich wist te winnen; hij moest echter ook deze hulp zeer duur betalen. Verder poogde hij door een verbond met Lodewijk van Beieren, (die in zijn strijd om de duitsche keizerskroon groote behoefte had aan vreemde hulp, en daarom in 1325 zijn zoon Lodewijk van Brandenburg met Christoffels dochter Margaretha verloofde), het hertogdom Sleeswijk van Duitschland te scheiden en weder met Denemarken te vereenigen. Zijn plan met dit hertogdom wikkelde hem in een ongelukkigen oorlog met den holsteinschen graaf Gerhard, die zich vroeger in den oorlog met twee hollandsche graven en hunne bondgenooten, de Ditmarschen, den bijnaam van den Groote verworven had. In Holstein waren namelijk, nadat het Schauenburgsche huis door deeling lang zeer verzwakt geweest was, na elkander drie machtige en krijgshaftige vorsten uit dit huis op den troon gekomen: Johannes de zachtzinnige van Wagrie, Johannes van Stormarn en Gerhard de Groote van Rendsburg. De laatste was aanvankelijk een zeer arme graaf, maar geraakte door dapperheid en geluk tot rijkdom en macht, en behaalde grooten roem door eene overwinning op de Ditmarschen, die zich verwoestende invallen in Holstein veroorloofd hadden. Deze nederlaag spoorde hierop de geheele ridderschap des lands aan, om zich tegen de doodelijk gehate boerenrepubliek op dezelfde wijze te verbinden, als zij dit honderd jaren te voren tegen de Stadingers gedaan had. Gerhard de Groote viel met .Johannes van Stormarn, Hendrik van Mecklenburg en elf andere heeren in het gebied der Ditmarschen ; deze werden echter juist door de overmacht hunner vijanden tot een wanhopigen tegenstand aangespoord, en behaalden een gelijke overwinning ais kort tevoren de Zwitsers bij Morgarten, versloegen twee duizend ridders, en doodden twaalf van de veertien landheeren die aan het hoofd van den krijgstocht stond (1322). Gelukkiger was graaf Gerhard tegen Christoffel II, die van het begin af aan de ontevredenheid van den deenschen adel had gaande gemaakt, omdat hij zich niet aan de door hem geteekende verkiezingskapitulatie hield; Christoffel had bij den dood van Erik van Sleeswijk (1325) dit land terstond laten bezetten; doch graaf Gerhard, die op de voogdijschap vanWaldemar, Erik’s zoon, als oom van moederszijde aanspraak maakte, begon hiertegen te reageeren en behaalde door krijgslist een belangrijke overwinning; de misnoegde grooten maakten gemeene zaak met den overwinnaar, en daar Christoffel na zijn nederlaag door dwangmaatregelen en harde belastingen geld en troepen zocht bijeen te brengen, stond ook het hierover verbitterde landvolk tegen hem op en hij moest met al de zijnen de vlucht nemen; een poging om met duitsche hulp zijn rijk te heroveren mislukte door de trouweloosheid van zijn eigen zwager, hertog Wratislaw van Dommeren; de Denen plaatsten daarop een pleegzoon van graaf Gerhard op den troon, onder den naam Waldemar III; de voordeelen die deze omwenteling opleverde, deelde Gerhard met drie deensche grooten, Knud Forse, maarschalk van Eberstein en rijksdrost Jonson. Gerhard liet zich voor zijn aandeel o. a. door zijn pleegzoon Zuid-Jutland toedeelen. De verjaagde koning zwierf intusschen rond, zocht vruchteloos hulp bij zijn aanverwanten en bij de Estlanders, en wendde zich tenslotte tot Lubeck en de andere duitsche zeesteden en slaagde er in die door toezegging van geheel nieuwe handelsvoorrechten voor zich te wónnen. De Lubeckers brachten een groot verbond tot herovering van Denemarken tot stand, waaraan behalve Johannes van Holstein, halve broeder van Christoffel, ook twee mecklenburgsche hertogen deel namen, en de ontevredenheid, die Gerhard en Waldemar door hunne over het land verspreide holsteinsche ridderschap verwekt hadden, hielp de onderneming bevorderen. Christoffel landde op Seeland en werd, nadat hij zijnen hebzuchtigen stiefbroeder aanzienlijke bezittingen had moeten beloven, door Gerhard en Waldemar in een door de Lubeckers bemiddeld verdrag als koning erkend (1329). Dit verdrag wTerd echter terstond daarna weder verbroken, en eerst in het volgende jaar kwam de zaak tot eene blijvende beslissing. Johannes van Holstein en Gerhard sloten ten koste hunner beschermelingen een vrede, tengevolge waarvan Waldemar den koningstitel aflegde en Christoffel zonder de middelen, om ook slechts naar gewonen maatstaf dier dagen fatsoenlijk te leven, weder als koning aangesteld werd. De laatste kon in zijne omstandigheden het koninklijke aanzien, dat om zich te handhaven nimmer pracht en praal kon ontberen, zoo weinig doen gelden, dat zelfs eens twee roofridders hem uit zijne welbewaakte woning dreven en wegvoerden. Het deensche rijk scheen zich toen voor eenigen tijd geheel te ontbinden; want Gerhard had

in het vredesverdrag Noord-Jutland, NoordFriesland en Funen voor zich verkregen, Knud Porse’s familie bezat Halland onder Zweedsche bescherming, Christoffels halve broeder regeerde op Seeland en Laaland, en het land Schonen, hetwelk aan den laatste door Christoffel toegekend was, had, om van de duitsehe onderdrukking bevrijd te worden, evenals Bleking, den zwëedschen koning gehuldigd.

Van Christoffels dood (1332) tot 1340 heerschte in D. een toestand van anarchie; graaf Gerhard, die dezen toestand onderhield, werd in 1340 door een jutlandsch ridder, Niels Ebbesen, vermoord. Daarop slaagde de nieuwgekozen koning, Waldemar IV Atterdag(1340— 1375) erin de verbrokkelde deelen des rijks weder te hereenigen; in 1346 verkocht hij Estland aan de duitsehe orde, om de verpande deensche landschappen te kunnen inlossen; in 1360 was het geheele rijk weder bijeengevoegd. Hierop ving de koning een aanvallenden oorlog tegen Zweden en de Hanzesteden aan en veroverde Gotland en Wisby ; ten slotte echter vermeesterden de Lubeckers Kopenhagen en de standen moesten, wijl de koning zich in het buitenland ophield, met de Hanzesteden een onvoordeelige vrede sluiten. In zijn laatste jaren zocht de koning, na de uitsterving van Abel’s geslacht, het rijksleen Sleeswijk weder aan de kroon te brengen. Hij stierf echter in 1375, en zijn dochter moest in 1386 den Holsteinschen graaf Gerhard VI het hertogdom als erfelijk leen afstaan.

De dochter van Waldemar IV, Margaretha (1387—1412) was gehuwd met koning Hakon van Noorwegen; zij regeerde eerst voor haar eenigen zoon, Oluf, die in 1375 opvolger van zijn grootvader en in 1380 ook van zijn vader geworden was, als voogdes, en later, na Oluf’s dood (1387) als regentes van D. en Noorwegen. Nadat zij in 1389 ook het koninkrijk Zweden veroverd had, dreef zij allereerst door, dat haar achterneef, Erik van Pommeren, tot koning der drie noordsche rijken gekozen werd. Daarna deed zij de rijksraden der drie landen te Kalmar in Zweden bijeenkomen, en hier kwam (13 of 20 Juli 1397) de z.g. unie van Kalmar tot stand; bepaald werd, dat met behoud der inwendige zelfstandigheid, voortaan slechts één koning over de drie Scandinavische rijken regeeren zou, en dat elke oorlog de unie gemeen zou zijn. Zoo was ten derden male door de deensche politiek het aanzijn gegeven aan een noordschen bondsstaat. Het werk van Margaretha bleek echter even weinig duurzaam als dat van Knut den Groote en de Waldemars. Margaretha werd bij haar dood (1412) in de drie rijken opgevolgd door haar verwant Erik van Pommeren ; deze geraakte in een hardnekkigen oorlog met de Holsteinsche graven Hendrik en Adolf gewikkeld ; aanleiding was de leenverhouding van Zuid-Jutland. Na een meerjarigen kamp kwamen de strijdende partijen overeen, de kwestie aan het scheidsrechterlijk oordeel van keizer Sigismund van Duitschland over te laten; de uitspraak erkende het recht der deensche koningen om Zuid-Jutland als leen te vergeven. De graven, gesteund door de Hanzesteden, namen echter geen genoegen met deze uitspraak, en Erik besloot in 1435 in een vergelijk te treden. In Zweden brak omstreeks dezen tijd een oproer uit, en ten laatste kwam ook de deensche adel tegen den koning in opstand, die daarop in 1439 afgezet werd; zijn neef en opvolger, Christoffel III (dverl. 1448) regeerde slechts weinige jaren; de Zweden kozen daarop een koning uit hun midden, Karel VIII Knutsson; de Denen plaatsten Christiaan I (1448—81) op den troon, een geboren graaf van Oldenburg en Delmenhorst, stichter van het Oldenburgsche vorstenhuis in Denemarken; hij werd in 1450 in Noorwegen, in 1460 in Sleeswijk en Holstein erkent; in Zweden, welks kroon hij in 1457 verkreeg, kon hij zich niet handhaven en leed bij zijn pogingen daartoe in 1471 tegen Sten Sture aan den Brunkeberg een zoo volkomen nederlaag, dat hij gedwongen was de onafhankelijkheid van Zweden te erkennen. Gedurende zijn regeering werd de universiteit te Kopenhagen gesticht en de Olifantsorde ingesteld. Zijn zoon, Hans (Johannes, 1481 — 1513) trachtte Zweden weder te herwinnen, doch met tijdelijk gevolg. De oproerige Zweden vonden steeds krachtige bondgenooten in de Hanzesteden, die een vereeniging der drie rijken voor hunne handelsbelangen nadeelig achtten. Eindelijk ging onder Christiaan II (1513—23) de Kalmarsche unie geheel teniet. Zweden had sedert zijn eigen koningen; slechts Noorwegen met zijn nevenlanden en de Faroër en IJsland bleven voorloopig met Denemarken vereenigd.

Na den val van Christiaan II besteeg zijn oom Frederik I (1523—33) den troon, en vereenigde onder zijn heerschappij weder D., Noorwegen en Sleeswijk-Holstein. Alsnu begon de Lutheriaansehe reformatie zich ook over D. te verbreiden, ook hier, evenals elders, een algemeene geestelijke omwenteling en strijd der geesten in het leven roepende, ook hier door bijmengsel en van politieken aard en partijbelangen onzuiver gemaakt Zoo werd de dood des konings het signaal voor een algemeenen burgeroorlog, de zg. Gravenveete, in welke katholieken en protestanten, adel en geestelijkheid, steden enplatteland tegenover elkaar stonden. Door de baatzuchtige politiek en de gewapende inmenging der hanzestad Liibeck onder haar burgemeester Wullenwever nam de oorlog nog grooter verhoudingen aan, en werden ook Zweden en andere Oostzeelanden erin betrokken. De eene partij, aangevoerd door den graaf van Oldenburg, wilde den verdreven Christiaan II weder op den troon plaatsen; de andere koos den oudsten zoon van Fredrik I, hertog Christiaan van SleeswijkHolstein. Na een Moedigen kamp behield de laatste de overhand en regeerde nu, onder den naam Christiaan III, van 1536 tot 1559. Deze voerde de Luthersche reformatie in zijn landen door (1536). Tegelijkertijd greep een omwenteling in de grondwettige toestanden plaats. Door de secularisatie van de eigendommen der kerk verloor de geestelijkheid alle macht, en, daar in de Gravenveete de boerenbevolking ook zijn schaduw van vrijheid verloren had en tot volkomen lijfeigenschap was gezonken en de steden nog geen machtige factoren vormden, bleef er in D. slechts één vrijen en oppermachtigen stand over, de adel; deze verrijkte zich met den eigendom der kerk, hield de kroon aan zich ondergeschikt, en heerschte in enkele streken zonder zelfs den schijn van afhankelijkheid te bewaren.

Frederik II (1559—1588) voerde een zevenjarigen, vruchteloozen oorlog met Zweden (z.g. Driekronen-oorlog); toen hij 4 April 1588 overleed was zijn zoon, Christiaan IV (1588— 1648) slechts elf jaren oud; de rijksraad, toenmaals 20 leden tellende, de kern van den bezittenden adel en de kroonambtenaren, bestreed aan de moeder en den oom van vaderszijde het regentschap en droeg dit op aan vier leden uit zijn midden; dezen zochten vruchteloos ook het bestuur der hertogdommen Sleeswijk en Holstein aan zich te trekken, hetwelk volgens duitsch gebruik aan de moeder bleef overgelaten; de stenden van Holstein en Sleeswijk maakten zelfs van de minderjarigheid en den strijd over het deensche regentschap gebruik om een rechtte vermeesteren, dat weliswaar door vroegere koningen hun verleend, doch nog nimmer uitgeoefend was: het recht om den regent te kiezen, de regeering aan een door hen aan te wijzen prins van het koninklijk huis op te dragen — een moeilijk ten uitvoer te leggen recht overigens, daar het regeerend vorstenhuis in verscheidene liniën verdeeld was. Christiaan IV bleef, na zich reeds op 17-jarigen leeftijd aan de voogdijschap te hebben onttrokken, tot zijn 20ste jaar onder toezicht van den rijksraad, en toen men hem eindelijk in 1596 de teugels der regeering overgaf, moest hij een kapitulatie teekenen, die hem in elke richting beperkte; in de hertogdommen echter breidde hij de koninklijke rechten uit, door te bewerken dat het eerstgeboorterecht werd vastgesteld; hiertoe, evenals voor de ophetfing van het verkiezingsprivilegie van Christiaan I, verwierf hij van keizer Rudolf II, die, hoewel zelf in zijn eigen paleis bijna geen macht bezittend , zich gaarne naar buiten deed gelden, een patent, later door keizer Matthias bevestigd, hetwelk het recht der eerstgeboorte en de opvolging zonder keuze in de deensche landen vaststelde; dit reeds in 1608 verworven, doch, evenals de daaromtrent gevoerde onderhandlingen zorgvuldig geheim gehouden patent, deed in 1616, toen men een verkiezing zou doen, die door het keizerlijk patent kon worden verhinderd, voor de eerste maal dienst; op dit tijdstip stierf Johannes Adolf van Holstein-Gottorp, neef en zwager van Christiaan; de Holsteinsche stenden wilden diens zoon, Frederik III, niet zonder voorafgaande verkiezing als hertog erkennen; Christiaan kwam met het keizerlijk patent te voorschijn, waarin de ondeelbaarheid van de beide deelen der hertogdommen, het hertogelijke en het koninklijke, alsmede de erfopvolging in beiden en het recht der eerstgeboorte voor de nakomelingen tot wet verheven werd; de stenden kwamen wel in verzet, maar Christiaan had troepen gereed om hen te dwingen; Frederik III werd alzoo zonder voorafgaande verkiezing aangenomen. Bijna alle krijgsondernemingen van Christiaan IV waren succesvol voor hem, tot op het tijdstip, dat hij zich met de duitsche zaken hegon in te laten; zelfs had hij op de Zweden de overhand. Hij genoot in de eerste jaren zijner regeering het vertrouwen aller standen; hij spaarde, wat hem later tot verderf strekte, den rijksraad en diens voorrechten, bediende zich van de kundige en bekwame leden daarvan, reorganiseerde het inwendig bestuur, en legde groote werkzaamheid en ongewoon doorzicht aan den dag; om de wijze, waarop hij van den val der Hanze gebruik maakte, werd hij door geheel Europa bewonderd; hij bevorderde den noorweegschen en ijslandschen handel en wist door te zetten, dat zijn Denen hem in staat stelden een klein staand leger op de been te houden. Als hoofd der nedersaksische stenden zich in den Dertigjarigen oorlog mengend, en in 3626 bij Lutter door Tilly verslagen, kreeg hij bij den vrede van Lübeck in 1629 van den keizer wel de verloren landen terug, doch moest, sinds het ingrijpen van Gustaaf Adolf in Duitschland, de zegevierende Zweden in de Oostzee en Noord-Duitschland den voorrang laten. Tegen het einde van den Dertigjarigen oorlog (1643) viel Torstenson, ingevolge de vijandelijke houding van D., Holstein binnen, en bij den vrede van Brömsebro (1645) moest D. de provinciën Jemtland en Herjedalen en de eilanden Gotland en Oesel aan Zweden afstaan. Genoemde vrede scheen het kleine deensche rijk geheel te vernietigen; een der eerste voorwaarden, opheffing der Sond-tollen, beroofde het van een zijner belangrijkste inkomsten ; de Denen moesten voorts alle in den oorlog verbeurd verklaarde zweedsche eigendommen teruggeven. Nog ongelukkiger was voor D. de regeering van Christiaan’s zoon en opvolger, Frederik III (1648—70); deze vond ten eerste de macht van den rijksraad en van de deze beheerschende hoogste ambtenaren (rijkshofmeester, rijksdrost, rijksadmiraal, rijksmaarschalk) weer sterk toegenomen, doordat Christiaan IV op het einde zijns levens zwak was geworden, en overigens het rijk in de grootste verwarring, doordien Christiaan’s sterk begunstigde onechte kinderen bij Christina Munk alle krachten inspanden eerst om de wettige zonen te verdringen, vervolgens om niet verdrongen te worden; onder hen deed Uhlefeld, echtgenoot van een der onwettige koningsdochters, en rijkshofmeester, zich het meest gelden; als rijkshofmeester had hij volgens de deensche staatsregeling naast den koning het grootste aanzien in het rijk ; hij werd nog machtiger, toen na den dood van Christiaan IV (28 Febr. 1648) de rijksraad een tusschenregeering aanstelde, die tot aan de verkiezing van een nieuwen koning het rijk besturen zou, en met uitsluiting van den prins Frederik uit den rijkshofmeester, den rijksadmiraal, den rijkskanselier en den rijksmaarschalk bestond; de verkiezing van een nieuwen koning werd door kuiperijen, die men aan Uhlefeld toeschreef, zoowel in D. als in Noorwegen vertraagd. Zoo Uhlefeld, naar het schijnt, aanvankelijk het doel had, om de keuze op zichzelf te leiden, werd het hem spoedig duidelijk, dat hierop niet de geringste kans bestond; hij had zich door zijn trots, overmoed, heb- en heerschzueht zoo algemeen gehaat gemaakt, dat zelis zijn zwager, Hannibal ScAiestadt, onderkoning van Noorwegen, tot zijn vijanden behoorde; hij was daarom ook een tier eersten, die, zoodra de keuze op Frederik 111 gevallen was, deze plechtig begroette: niettemin ijverde hij voor nieuwe beperkingen der koninklijke macht, waarin Frederik III bij kies-kapitulatie toestemmen moest. Bij deze nieuwe kapitulatie werd de koninklijke macht opnieuw ten zeerste beperkt. De koning had vroeger het recht gehad, om bij het openkomen van een zetel in den rijksraad uit twee door den adel te stellen kandidaten er eene te kiezen; dit werd thans zoo veranderd, dat wanneer voortaan een lid van den rijksraad stierf, de adel van de provincie, waarvoor de overledene zitting had, zes of acht kandidaten uit hun midden stellen en uit deze, zonder raadpleging met den koning, den vacanten zetel bezetten zou; evenmin zou de koning voortaan den onderkoning van Noorwegen of de vier hoogste ambtenaren onmiddellijk mogen verkiezen, maar deze uit door den rijksraad te stellen kandidaten moeten benoemen ; voorts zou hij zonder verlof van den rijksraad niet buitenslands mogen vertoeven, enz.

De nieuwe koning, Frederik III, was van een rustig, weinig eerzuchtig karakter; zijn vrouw, Sophia Amalia, een dochter van hertog George van Lüneburg, betoonde zich daarentegen een eergierige en ten opzichte der middelen om haar doel te bereiken, een weinig kiesehe vrouw; de koning duldde de'kinderen van Christina Munk zonder tegenzin, de koningin legde een diepen haat en alkeer tegen hen aan den dag; de koning hield zich noch met kuiperijen of wraakoefening op, de koningin richtte haar intrigues tegen elk die haar onaangenaam was, in de eerste plaats tegen den staatsman Uhlefeld, die weldra het offer van haar haat werd; hij vluchtte daarop eerst naar Nederland, voorts naar Zweden, waar hij ten hove schitterend ontvangen werd, en zich rusteloos aan het werk zette, om een oorlog tusschen Zweden en D. te bewerken; dat deze uitbrak en van D. zelf uitging, was hoofdzakelijk aan den overmoedigen rijksraad te wijten, die in den zweedschen koning, die zich in zijn poolschen oorlog geheel scheen te hebben uitgeput, een weinig te vreezen vijand meenden te mogen zien. De deensche koning, na zich eerst beijverd te hebben den oorlog te voorkomen, legde, deze eenmaal uitgebroken zijnde, evenveel dapperheid, krijgskunde en volharding aan den dag als de rijksraad en de adel in het algemeen gebrek aan patriotisme en moed. Deze oorlog, waartoe ook de koningin krachtig had medegewerkt, bracht, D. aan den rand van zijn ondergang; de zweedsche koning Karel X, veroverde in 1657 geheel Denemarken, zelfs de hoofdstad, en Frederik III zag zich tot den uiterst nadeeligen vrede van Roeskilde (26 Febr. 1658) gedwongen, waarna de zweedsche vorst nog onder allerlei voorwendsels zijn verblijf in Denemarken zocht te rekken, om zijn leger op kosten der Denen te onderhouden; tevens maakte hij alle toerustingen voor een nieuwen veldtocht, dien hij voorgaf tegen Polen in den zin te hebben; de nederl gezant van Beuningen waarschuwde het deensche hof tevergeefs, en dit bleefwerkeloos tot tenslotte ook de fransehe gezant, Terlon, die in vertrouwen met Karel X gesproken had, een veelbeteekenende wenk omtrent de plannen van Zweden ten opzichte van D. gaf; laatstgenoemd land kreeg hierdoor eenigen tijd om zich voor te bereiden. In Aug. 1658 landden de Zweden bij Korsoer, eenige uren van Kopenhagen, sloegen een week later onder Wrangel het beleg voor Kronenburg, dat zich 8 Sept. overgaf, en vereenigden zich toen voor Kopenhagen, waar de deensche koning zich bevond; de burgerij was hem trouw gebleven, de adel toonde (evenals voor den oorlog, zoodat Karel Xals voorwendsel voor den onverwacht hervatten oorlog met eenigen schijn van waarheid kon voorgeven dat hij den koning tegen zijn rijksraad zocht bij te staan) op allerlei wijze kwaadwilligheid. Kopenhagen verdedigde zich hardnekkig tegen de Zweden,hetgeen deze niet hadden verwacht: de rijkskas was echter geheel uitgeput,de nederlandschebondgenooten draalden met het afzenden eener vloot, en de deensche hoofdstad was zoo nauw ingesloten, dat niet eens gevolmachtigden konden worden uitgezonden ; een deensch patriot, Christoffel Gabel, geheim-secretaris van Frederik III, en bij het uitbreken van den oorlog toevallig buitenslands vertoevende, had echter een zoo duidelijk inzicht in den staat van zaken, dat hij zich, zonder eigenlijke volmacht, naar de Nederlanden begaf; hij wist hier, geholpen door den invloed van Van Beuningen en zijn partij, de Hoogmogenden een leening van drie millioen gulden te doen waarborgen, en tevens tot de uitzending van een vloot naar de Oostzee, onder Obdam, te bewegen; een nederl, vloot stevende daarop naar de Sond, tastte op 29 Oct. de zweedsche aan, en vereenigde zich voor Kopenhagen met de deensche, zich verder bepalende tot het blokkeeren van de haven van Landskrona, waar de zweedsche vloot de geleden schade herstelde; toen de Nederlanders om staatkundige redenen louter een bloote bemiddeling, geen werkelijk hulpbetoon op het oog bleken te hebben, zette Karel X het beleg van Kopenhagen rustig voort, hoewel Duitschers en Polen om strijd stukken land v/h zweedsche rijk begonnen te rukken en de Denen in Noorwegen en ter zee allerlei voordeelen behaalden; vruchteloos deden nu Nederland, Engeland en Frankrijk een poging om langs politieken weg den vrede in het noorden te herstellen (Haagsehe concert, April 1659); de vrede tusschen Zweden en D. werd eerst 27 Mei (6 Juni) 1660 gesloten, en wel in een tent vóór Kopenhagen; wat de onderhandelingen die dezen vrede voorafgingen betreft, hadden zoowel de Nederlanders als Mazarin geweigerd voor D. meer te doen dan den toestand, door den vrede van Roeskilde geschapen, te herstellen; de onderhandelingen waren daarom toen eerst met ernst begonnen toen beide strijdende partijen inzagen dat de bemiddelaars andere zaken op het oog hadden dan een onpartijdige bemiddeling en het daarom beter achtten tot een vergelijk te komen; de beraadslagingen duurden van 18 Maart tot 27 Mei 1660: 6 Juni werd daarop de vrede geteekend; Zweden bleef in het bezit van de provinciën Schonen, Halland, Bleking en van het eilandje Hween; daarentegen verkreeg D. de provincie Drontheim, en het eiland Bornholm terug, benevens het recht tot heffing van de Sond-tollen; omtrent Uhlefeld werd bepaald dat hij naar D. mocht terugkeeren en zijn goederen zou terug ontvangen wanneer hij ten opzichte van een samenzwering, waarvan hij beticht werd, onschuldig zou worden bevonden,

In Denemarken, evenals in Zweden, werd door dezen oorlog, die wederzijds alle gewone hulpmiddelen uitgeput had, een omverwerping der staatsregeling veroorzaakt, waarbij I). aan de onbegrensde willekeur van zijn monarch werd prijs gegeven. Het deensche rijk was, na den oorlog tengevolge van de regeerwijze des adels en van den rijksraad zoo uitgeput, dat elkeen inzag dat vooral het financieel beheer geheel moest worden veranderd, en dat dit onmogelijk zonder een geheele verandering van den bestaanden toestand geschieden kon; daar de adel zich echter tegen een zoodanige verandering verzette, bleef den burgerstand niets anders over dan den koning te bewegen met geweld het noodzakelijke door te zetten. <S Sept. 1660 werd te Kopenhagen een rijksdag beroepen, en toen hier rijksraad en adel niet het geringste van hunne voorrechten bleken te willen prijsgeven,droegen de geestelijkheid en de burgerstand, onder leiding van bisschop Svane en den Kopenhaagschen burgemeester Nansen den koning de volle erfelijke souvereiniteit op, waartegen de adel, ingetoomd door de houding des volks, het niet waagde zich te verzotten; de intriguanten van den hofkring der koningin maakten echter behendig, van het vertrouwen van het volk in zijn koning gebruik, om de omwenteling geheel in hun voordeel te keeren en het onhoudbaar oligarchisch despotisme in een even drukkende, een meer dan turksche autocratie te herscheppen, dat in de z.g. konhujswet (lex regia) werd vastgelegd ; deze wet, het werk van een Duitschen jurist, Peter Schumacher, en die de deensche burgerschap, die aan de totstandkoming onwetend had medegewerkt, het meest verschrikte en zichzelf aankondigde als een voor alle tijden onveranderlijke grondwet, werd 14 Nov. 1665 door den koning bekrachtigd; de hierin neergelegde regeeringsvorm was despotieker dan de turksche; zij gaf Frederik III, bijna tegen zijn wil, een macht, die van elke deelneming van volk en adel vrij was. Krachtens deze grondwet voerde Schumacher, eerste minister geworden, een despotiek bewind in, waardoor hij allen tegen zich verbitterde; hij trachtte den ouden adel daardoor te vernietigen, dat hij de leden overreedde om zich van hun goederen te ontdoen en in andere streken graafschappen en baronniën te koopen; hij bereikte zijn doel zoo spoedig, dat er binnenkort veertien graven en vijftien baronnen waren, die tevoren geheel onbekend waren. Bij de nieuwe grondwet won vooral Kopenhagen, die als hoofd- en residentiestad op elke wijze begunstigd werd, waardoor zij onder alle deensehe steden de eenige was, die beteekenis kreeg. De innerlijke kracht verhief zich weder een weinig. Reeds Frederik III zelf achtte zich op grond daarvan sterk genoeg om een uitbreidingspolitiek te voeren: konsekwent was de deensche staatkunde steeds tegen Zweden en tegen de hertogen van Sleeswijk-Holstein-Gottorp gericht; eenerzijds hoopte men de landen aan de overzijde van de Sond, anderzijds minstens geheel Slceswijk voor de deensche kroon te herwinnen. Gedurende den laatsten tijd van de regeering van Frederik III en zijn opvolger Christiaan V (1170—94), waren de Denen dan ook' in bestendigen strijd met de hertogen van Holstein— Gottorp, die door den deensch-zweedschen oorlog de souvereiniteit in de hertogdommen verkregen hadden. Het geschil liep eerst over de verdeeling der inkomsten van Sleeswijk en over het bisdom Lübeck, later kwam er nog een geschil bij over de nalatenschap van den laatsten graaf van Oldenburg, Antonie Günther, die zoowel aan den hertog van Holstein als aan den koning van Denemarken verwant was. Na veel bloedvergieten, en allerlei list en verraad — vermeestering van de personen des hertogs en dor hertogin — eindigden deze geschillen met den vrede van Rendsburg, gevolgd door het verdrag van Altona (16S9). Christiaan V vermocht echter niet in den nieuwen koers der deensche staatkunde blijvende voordeelen te behalen; hij slaagde or echter in door verdrag de graafschappen Oldenburg en Delmenhorst, waar de regeerende linie in 1667 uitgestorven was, voor zich te winnen: overigens dankt men hem belangrijke hervormingen in de wetgeving (I)eensch wetboek in 1683). Hij werd opgevolgd door zijn zoon Frederik IV (1699—1730), die de positie der boeren eenigermate verbeterde en in 1702 den strengen vorm der lijfeigenschap ophief. Zijn deelname aan den Noordschen oorlog had weinig gevolg; verslagen, moest hij bij den vrede van Travendal (1700) van alle vroegere aan Zweden afgestane gebiedsdeelen voor goed afstand doen. Na 1709 nam hij weder aan de oorlogen tegen Zweden deel, en bij den vrede van Frederiksborg (1720), welke aan den oorlog een einde maakte, verkreeg bij bevestiging van het Gottorpsche aandeel aan Sleeswijk. Op het protest van den hertog van Gottorp werd geen acht geslagen.

De laatste jaren van Frederik IV, die, door zijn prachtlievendheid, vele bijzitten en uitspattingen van allerlei aard, wat den aanvang van zijn regeering betreft tot de verkwistendste vorsten kan worden gerekend, waren voor het land gelukkiger dan de eerste; bij werd ten slotte zelfs zoo spaarzaam, dat hij bij zijn dood eenige millioenen in de schatkist kon achterlaten; gewetensangsten bewogen bom overigens, om na den dood zijner vrouw, met een zijner talrijke vroegere minnaressen, de gravin Reventlow, te huwen, hetgeen voor het land weldra kostbaarder werd dan een nieuwe minnares zou geweest zijn; de gravin en een geestelijke, waarvan zij zich tot gestadige opscherping van het koninklijk geweten bediende, pleegden allerlei geweldenarijen en zochten zich op elke wijze te verrijken, wat ten slotte tot een gerechtelijk onderzoek leidde; de hoofdschuldigen kwamen echter vrij en de straf der barbaarsche rechtspleging van dien tijd trof alleen enkele ondergeschikte werktuigen. •

De regeeringen van Christiaan VI (1730—46), Frederik V (1746—66) en CiiristiaanVII (1766— 1808) verliepen zonder bijzondere buitenlandsche gebeurtenissen. Toen Peter III, hertog van Holstein-Gottorp, in 1762 den russischen troon besteeg, dreigde wel een oogenblik nieuw krijgsgevaar voor D., doch dit werd door den onvoorzienen, gewelddadigen dood van genoemden vorst afgewend, en zijn zoon Paul bewilligde onder bemiddeling van zijn moeder, keizerin Katherina II in een verdrag (22 April 1767), krachtens hetwelk in 1773 de Gottorpsehe bezittingen en aanspraken in Sleeswijk en Holstein tegen Oldenburg en Delmenhorst werden ingeruild. Dit tijdperk was echter rijk aan belangrijke binnenlandsche gebeurtenissen.

Christiaan VI, zoon en opvolger van Frederik IV, was een vroom man en met de beste bedoelingen bezield; hij beging echter de fout van godsdienst en zedelijkheid, wetenschap en kunst, handel en nijverheid, alles door loutere wetten en dwangmiddelen te willen bevorderen; een door hem uitgevaardigde wet schreef b. v. voor, dat elk die des Zondags niet ten minste eenmaal de godsdienstoefening bij woonde, beboet of aan de kaak gesteld zou worden, een andere wet bedreigde zware straffen tegen vloeken, godlastering en spot met andere heilige dingen; alle schouwburgen werden gesloten en de toegang tot het land aan tooneelspelers, koorddansers en dergelijke lieden verboden; dezelfde wetgeving verscherpte op de meest barbaarsche wijze de lijfstraffelijke rechtspleging en bedreigde tegen groote misdaden ongekende combinatiën van de meest wreede straffen; zoo werd op moord gesteld : negen weken lang, eiken dag in het openbaar een geeseling van 27 slagen, daarna radbraking zonder toediening van den genadeslag. Heilzaam voor het land in hooge mate was wat deze zelfde vorst en zijn opvolger voor het onderwijs deden; evenzeer valt op te merken dat door het voorbeeld van het hof de hoogere standen in D. door hun zedelijk gedrag minder ergernis gaven dan in de andere europeesche staten. Wat het onderwijs betreft, werd niet alleen voor hoogere inrichtingen maar ook voor volksscholen gezorgd; en wel zoo, dat voor alle kinderen in het rijk een geregeld schoolonderwijs mogelijk werd. De vooruitgang van handel en nijverheid onder Christiaan en zijn zoon zijn minder toe te schrijven aan zijn talrijke, ten deele zeer zonderlinge voorschriften, dan aan de toenemende welvaart van den burgerstand en aan den langdurigen vrede.

Frederik V, vroom zonder bigot te zijn, veroorloofde weder openbare vermakelijkheden, legde weer schitterende hoffeesten aan, en ondersteunde op milde wijze wetenschappen en kunsten; de toestand van het volk verbeterde echter niet; de burger en de boer moesten de kosten van de pracht van het hof en van de bevordering van kunst en wetenschap opbrengen, en daarenboven hooge inkomende rechten, of de kosten van het op de been houden der binnenl. fabrieken betalen, zoodat handel en nijverheid op hunne kosten bloeiden. Daarbij bleef niet slechts de lijfeigenschap in stand maar werden door de vermeerdering der heerlijkheden nog vele duizenden vrije boeren tot leenplichtige lijfeigenen gemaakt. Wel deed omstreeks dezen tijd graaf Bernstorf, vader van den lateren minister van dien naarn, een eerste poging tot opheffing van de lijfeigenschap, door op een zijner bezittingen de boeren aan eenige vrije akkers te helpen, maar de doorvoering van het hieraan ten grondslag liggend beginsel had eerst onder de volgende regeering plaats. Overigens vermeerderde onder Frederik V de schuld van het kleine D. met 50 millioen gulden, en werden daarentegen, behalve de allerhoogste, de ambtenaren zoo slecht bezoldigd, dat zij onmogelijk konden bestaan en gedwongen waren om hun inkomen te vermeerderen tot allerlei praktijken de toevlucht te nemen.

Christiaan VII, die bij het overlijden zijns vaders op den deenschen troon kwam, was toen eerst 17 jaren oud, bezat een zeer gunstigen aanleg, doch was verkeerd opgevoed en reeds geheel aan een losbandige levenswijze verslaafd, die hem geestelijk zoowel als lichamelijk had verzwakt; in het eerstejaarzijner regeering huwde hij met de zuster van George III van Engeland, Caroline Mathilde, een huwelijk waaruit in 1768 een zoon geboren werd, en dat overigens door het uiteenloopend karakter van den koning en de koningin zeer ongelukkig was. In 1768 deed de jonge koning een reis naar Engeland en Frankrijk, die ontzaglijke sommen geld kostte, die door meerdere bijzondere belastingen moesten worden gevonden; Christiaan, die op deze reis het overschot van zijn lichaams- en geesteskrachten verloor, nam op den terugweg te Altone den stadsdokter Struensee als lijfarts in zijn dienst (1769), zoodat deze reis vèr-strekkende gevolgen had. Nadat de oude graaf Bernstorf het ministerschap had moeten neerleggen, begon Struensee, na een nauwe betrekking met de koningin te hebben aangeknoopt, zijn gewelddadige hervormingen, die hoofdzakelijk ten doel hadden in de plaats van de adelregeering en bureaucratie een volstrekt monarchaal gezag te stellen; hij miste daartoe echter alle hoedanigheden, handelde onverklaarbaar onvoorzichtig en overhaast, en verloor in beslissende oogenblikken alle bezinning en moed: overigens ging hij bij zijn hervormingspogingen zonder plan of samenhang te werk. De verordeningen die hij van Sept. 1770 tot Jan 1772 uitvaardigde, meer dan 600 in getal, strekten zich uit over alle onderdeelen van het staats- en gemeentelijk bestuur; hij voerde de vrijheid van drukpers in, schafte het dwaze misbruik van titels af, verminderde het aantal openbare feestdagen, wijzigde alle besturen, hervormde het geldelijk beheer, schafte de heerendiensten grootendeels af en bereidde daardoor de later gevolgde opheffing der lijfeigenschap voor, reorganiseerde de inrichting der Kopenhaagsche universiteit, hervormde het zeewezen en het rechtswezen, voerde gelijkheid voor de wet en de belastingen in, verbeterde de armenzorg, en zorgde zelfs voor de straatverlichting en de liuisnummering der hoofdstad. Geen zijner hervormingen had echter een duurzamen grondslag, daar alles de instemming van het meerendeel der bevolking miste. Ook gaf de hervormer allerlei gevoelens grootelijks ergernis en verwekte een dusdanigen haat, dat allerlei geheime samenzweringen tegen hem werden gesmeed en hij reeds in 1772 viel, de koningin meeslepende. Daarop kreeg Guldberg, de hoofdbewerker van Struensee’s val. vertrouweling van de stiefmoeder des konings, Julia, onder deze laatste de teugels van het bewind; de eenigo verdienste die deze twee zich jegens D. verwierven, was dat zij den rechtvaardigste der deensche staatslieden, door geen zijner tijdgenooten in schrandere staatkunde en diplomatieke bekwaamheid overtroffen, Bernstorf, in het ministerie opnamen; deze man kreeg in April 1772 de portefeuille van buitenl. zaken; hij bracht het geschil met Rusland tot een vreedzaam einde, werd w'eldra door Guldberg en Julia losgelaten, echter in 1781 teruggeroepen door den kroonprins (Frederik VI), die bij zijn meerderjarigheid voor zijn vader begon te regeeren, na Julia en Guldberg te hebben verwijderd, en bestuurde daarop tot 1797 de staatszaken van 1)., terwijl ook na zijn dood zijn invloed herkenbaar bleef. De boerenstand werd ten volle geëmancipeerd (1788), het volksonderwijs kreeg vaste grondslagen, de adelsprivilegiën werden beperkt, de negerslaverij werd in 1803' in het gebied van het deensehe rijk verboden, hervormingen van allerlei aard werden ingevoerd, en handel, nijverheid en ook de algemeene volkswelvaart, bloeiden op. Na Bernstorf’s dood braken echter weldra moeilijke jaren aan. Bernstorf had in de europeesche oorlogen steeds D. onzijdig weten te houden, wat de van zijn wijzen raadgever beroofde Frederik VI (regent sinds 1784, koning 1808 tot 39) weldra ondoenlijk bleek. Allereerst kwam hij in geschil met Engeland, wegens D's toetreding tot de gewapende neutraliteit; in weerwil van de overwinning in den zeeslag op de roede van Kopenhagen op 2 April 1801 moest D. in hoofdzaak toegeven, daar zoowel Frankrijk als Engeland eischte dat D. zich bij de eene of andere mogendheid zou aansluiten. Vooral Engeland drong hierop aan, en toen D. een alliantie met deze mogendheid van de hand wees, verscheen een engelsche vloot voor Kopenhagen en eischte pandsgewijze overgave der deensche vloot; toen dit geweigerd werd, openden de Engelschen een zwaar bombardement op Kopenhagen (2 tot 5 Sept. 1807), en dwongen D. daardoor tot de kapitulatie, die hen de deensche vloot overleverde. Frederik VI wierp zich nu geheel in de armen van Frankrijk, sloot zich bij het z.g. Continentaal-stelsel aan, beoorloogde Engeland en Zweden, en hield aan het fransche bondgenootschap vast tot Napoléon uit Duitschland verdreven werd. Het gevolg was, dat in den aanvang van 1813 een geallieerd leger onder den zweedschen kroonprins bijna geheel Sleeswijk-Holstein bezette; bij den vrede van Kiel (14 Jan. 1814) moest Frederik VI daarop het Sleeswijksche eiland Belgoland aan Engeland en het koninkrijk Noorwegen, behalve de Faroër en Ijsland, aan Zweden afstaan, dat daarvoor ZweedschPommeren aan 1). afstond, hetwelk weldra met Pruisen tegen het hertogdom Lauenburg werd ingeruild. Voor Holstein en Lauenburg moest de koning in 1815 tot den Duitschen Bond toetreden.

Het deensche rijk verkeerde toenmaals in den meest treurigen toestand; door de krijgslasten, het wanbeheer der financiën en de langdurige stremming van den handel was zoowel de openbare als de bijzondere welstand onderrnijnd; om een staatsbankroet te vermijden, nam de regeering een buitengewoon en uiterst middel te baat: van alle grondeigendom werd een belasting van 6 pCt. der waarde geheven ; met deze fondsen werd in 1813 een rijksbank gesticht, welke in 1818 in een monopolistischdeensche privaat-instelling, de nationale bank te Kopenhagen, herschapen werd. Onder Frederik VI begon een nationalistische reactie tegen den overheerschenden invloed der duitsehe richtingen op elk gebied des geestes, en door allerlei hervormingen werd getracht de innerlijke kracht des volks te herstellen Tevens werd door de natie met steeds grooteren aandrang een constitutie geëischt; de sleeswijkholsteinsche ridderschap vorderde eengemeenschappelijken landdag voor beide hertogdommen, en riep in 1823 de bemiddeling van den Duitschen Bond in, doch zonder gevolg. Eerst onder den indruk der fransche Juli-revolutie liet de koning zich tot een concessie bewegen, in diervoege, dat bij wet van 28 Mei 1831 en 15 Mei 1834 provinc. bestuurslichamen werden ingevoerd; dat voor de deensche eilanden kreeg Roeskilde op Seeland, voor Jutland Wiborg, voor Sleeswijk de gelijknamige stad, voor Holstein Itzehoe tot zetel. De daarmee gedane inwilligingen werden niet voldoende geacht; de oppositie eischte meer: o. a. vrijheid van drukpers, bezuiniging in onderscheiden takken van bestuur en uitgebreider aandeel van het volk in het bestuur. Van nu af ontstond er een stille vijandschap tusschen het volk en het koninklijk gezag. En toen Christiaan VIII in 1839 Frederik VI opvolgde, gaf de Deensche universiteit en de academie te Kopenhagen, in haar adres aan den nieuwen koning niet onduidelijk te kennen, dat zij van hem de vervulling van ’s volks wenschen, de voltooiing van het begonnen werk, een vrije constitutie, verwachtten. Christiaan VIII stelde de hooggespannen verwachtingen volkomen teleur, echter, hoe meer tegenstand hij aan de vorderingen der oppositie bood, hoe gebiedender en dreigender houding deze aannam. De sedert lang bestaande strijd

tusschen de hertogdommen en D. kreeg onder zijn regeering een zeer ernstig aanzien; de Denen toonden een vijandige stemming tegen de duitsche nationaliteit der hertogdommen en poogden zoowel hun taal aan Sleeswijk op te dringen, als de tot nog politiek-zelfstandige hertogdommen geheel hij het koninkrijk in te lijven; terwijl zich bij de laatste integendeel het verlangen uitte om als afzonderlijke staat van D. gescheiden en in een betrekking ongeveer als die van Hannover tot Engeland of Luxemburg tot Nederland geplaatst te worden, terwijl zij bij uitsterving van de mannelijke linie van het deensche koningshuis op volle losmaking van Denemarken hoopten: daar de koning hierin gevaar voor de toekomst der monarchie zag, hief hij den twijfel inzake de opvolging bij een mogelijke uitsterving op door de vrouwelijke opvolging' ook voor de hertogdommen mogelijk te maken: hiertegen werden de heftigste protesten ingebracht.

Nauwelijks had de zoon van Christiaan, Frederik VII (1848—1863), den troon beklommen, of hij haastte zich zijn volk een nieuw-e constitutie te geven. Volgens deze zouden de staten hebben te beslissen over het uitschrijven van belastingen, en deel hebben aan de wetgevende macht; zij moesten voor het koningrijk Denemarken en voor de hertogdommen Sleeswijk en Holstein gemeenschappelijk wezen en beurtelings hun zittingen in Denemarken en in de hertogdommen houden. Op de mare der fransche Februari-revolutie echter verklaarden de hertogdommen Sleeswijk en Holstein zich 25 Maart 1848 onafhankelijk en stelden een voorloopige regeering aan. De oude ijverzucht der verschillende rassen, die nimmer geheel opgehouden, maar slechts ingesluimerd was, ontwaakte nu meer dan ooit te voren. De Denen geraakten in opstand, om hun koning te beletten afstand van zijn recht op de hertogdommen te doen. Van hun kant liepen ook de bewoners der hertogdommen te wapen en riepen de hulp van Duitschland in, terwijl zij de inlijving van Sleeswijk bij den Duitschen Bond verlangden. Zij trekken tegen de Denen op, maar worden bij Flensburg geslagen (9 April). De tusschenkomst van Pruisen, in naam van den Duitschen bond, wordt verzwakt door Rusland, Engeland en Zweden, die geen machtig Duitschland aan de Oostzee willen zien ontstaan, en zoo moet generaal Wrangel, bevelhebber van het duitsehe bondsleger, uit Denemarken terugtrekken. Bij den wapenstilstand van Malmö, door tusschenkomst van Zweden gesloten, kregen de hertogdommen voorloopig een gemeenschappelijk bestuur, waarvan de Ipden voor de helft door Denemarken, voor de andere helft door den Duitschen Bond zouden benoemd worden. Inmiddels werd in den loop van ’t volgend jaar de revolutie hervat, met dit gevolg echter, dat SleeswijkHolstein zich eindelijk in 1851 op aandrang der groote mogendheden aan Denemarken onderwierp. Ten einde nu de verschillende bestanddeelen van D. bijeen te houden, sloten Groot-Britannië, Rusland, Oostenrijk, Frankrijk, Pruisen en Zweden in Mei 1852 met Denemarken het verdrag van Londen, waarbij het recht van opvolging in ’t geheele rijk (koning Frederik VII n.I. was kinderloos) aan den zoon van den hertog van Sleeswijk-Holstein, gesproten uit den jongsten tak der jongste linie van de Deensche koningsfamilie, werd toegezegd.

De troonsbeklimming van den tegenw. koning van D., Christiaan IX (1863), gaf aanleiding (gelijk het Londensch verdrag van 1852 dit reeds bij herhaling gedaan had) tot tal van staatkundige verwikkelingen, die, wat Denemarken betreft, tot den duitsch-deenschen oorlog van 1864 leidde, die nog hetzelfde jaar, 30 Oct, met den vrede van Weenen eindigde, waarbij zoowel Sleeswijk-Holstein als Lauenburg en de bij genoemde hertogdommen behoorende eilanden (Fehmarn, Alsen, Römö, Sylt, Föhr, Pelworm enz) voor goed van het Deensche rijk gescheiden werden: daarentegen gingen Fanö en Arö, die vroeger tot Sleeswijk behoorden, thans op Denemar ken over.

Na de catastrophe van 1864 kreeg D. onder het ministerie Frijs-Frijsenborg in 1866 een nieuwe grondwet. Het 51,c artikel van den vrede van Praag tusschen Pruisen en Oostenrijk, opende D het vooruitzicht de noordelijkste districten van Sleeswijk terug te erlangen, waarover een volksreferendum zou hebben te beslissen; de onderhandelingen met Pruisen over de tenuitvoerlegging van dat artikel, dat D. aan Napoléon III dankte, voerden echter tot geen resultaat; zoolang echter Napoléon III machtig bleef, hield D. aan genoemd artikel vast. Bij het uitbreken van den franschduitschen oorlog, was de openbare tneening in D. nietafkeerig van een alliantie met Frankrijk; het snelle en voor Frankrijk steeds nadeelig verloop van dezen oorlog, noodzaakte D. zich onzijdig te houden. In 1878 verstond Pruisen zich met Oostenrijk over de vervalling van artikel 5.

Het conservatieve kabinet-Holsteinborg werd in Juli 1874 opgevolgd door het liberale kabinet-Fonnesbeeh, dat in Juni 1875 werd vervangen door het zuiver bureaucratische kabinet-Estrup, dat in het Folkething de oppositie in de meerderheid vond, en trots de verwerping van ongeveer al zijn wetsvoorsteD len, vooral inzake landsverdediging en legeruitbreiding, aan het roer bleef en zijn door het genoemd lichaam verworpen budgetten door het Landsthing liet aannemen; de oppositie nam, om den koning tot het parlementarisme te bewegen en diensvolgens zijn ministers uit de kamermeerderheid te kiezen, gedurende den eerstvolgenden tijd het middel der obstructie te baat; de verhouding tusschen beide lichamen, Folkething en Landsthing, werd daardoor steeds meer gespannen; de verkiezingen van 1884 verschaften de vereenigde linkerzijde 83 zetels in het Folkething, terwijl zij in het Landsthing slechts over 12 stemmen beschikte; herhaaldelijk moest met voorloopige finantiewetten worden geregeerd, terwijl enkele leiders der oppositie tot gevangenisstraffen werden veroordeeld. Ook het kabinetHörring (24 Mei 1897—April 1900) en dat van Sehested vermochten geen eenheid in de regeering te brengen. Eerst na de nieuwe verkiezingen van April 1901, waarbij de linkerzijde 87 mandaten veroverde (73 radikalen, 14 sociaal-demokraten). besloot de koning de regeering uit de kamermeerderheid te vormen en zoodoende samenwerking der geheete wetgevende macht mogelijk te maken; prof. Deuntzer stelde alsnu een nieuw, vrijzinnig kabinet saam ; 5 Oct. 1901 opende de koning voor het eerst sinds 1884 weder de zittingen van den rijksdag, met een troonrede, waarin er de aandacht op werd gevestigd, dat het nieuwe ministerie was benoemd overeenkomstig den wensch van de meerderheid van het volk en dus de regeering geacht kon worden opgedragen te zijn aan vertrouwensmannen des volks, waardoor de koning nader hoopte te komen tot het doel: naar buiten de zelfstandigheid van het rijk en een vriendschappelijke verstandhouding met de mogendheden te handhaven, naar binnen de burgerlijke en staatkundige vrijheid te ontwikkelen, het geestelijk en economisch leven van het volk op te wekken. Aangekondigd werden wetsontwerpen tot verbetering van de rechtspraak en van de landsverdediging, een doelmatige verdeeling van de lasten, benevens voorstellen tot ontwikkeling van het economisch en godsdienstig leven en van de gemeentelijke autonomie. Weinige dagen te voren had de sinds 16 Sept. 1901 te Stokholm vergaderende deensch-zweedsche commissie, die over het vraagstuk van eene gemeenschappelijke Scandinavische burgerlijke wetgeving had te beraadslagen, hare vergaderingen gesloten. In deze vergaderingen werd het plan en de uitgebreidheid van de gemeenschappelijke wetgeving vastgesteld en werd men het er over eens om verschillende zaken van handelsrechtelijk belang in het plan mede op te nemen.

Bibliographie der geschiedenis van D.; bronnen : Scriptores rerum Danicarum medii aevi (Langebeck, Suhm, e.a., 9 dln., 1772—187*), Regesta diplomatica historiae danicae (I. serie, Kopenh. 1847—85; II serie, 1892), Reedtz, Répertoire historique et chronologique des traités conclus par la couronne de Danemark jusqu'à 1800 (Gôtt. 1826), Monmnenta historiae danicae door Rördam, Kopenh. (1873—85), Danske Tractater 1751—1879 (4 dln.. 1874—85), Corpus constitutionum Dankte (dl. 1—5, 1889—99). Erslev, Repertorium diplomaticum regni demie mediaevalis (1894 v. v.).

Bewerkingen : L. E. Millier, Danmarks Sagnhistorie (4lle druk 1874):Dendanske Riimkrimike (van Molbech, 1825), Worsaae, Danmarks Oldtid (1843), Petersen. Dan-marks Historié i Hedenold (3 dln., 1834—37, 2dc dr 1854), Saxonis Grammatici historici daniea(van Millier en Velschow. Kopenh. 1839—58, Straatsb. 1886), S. Millier, Vor Oldtid. (1894— 97), Arrild Huitfeldt, Danmarkis Rigis Krônnike (10 dln., 1597—1604), Meursius, Historié Danica (Amsterd. 1638, Flor. 1746), L. Holberg, Danmarks Riges-Historié (3 dln., 1753—54, nieuwe uitg. 1856), P. F Suhm, Historie af Danmark fra de âldste Tider til Aar 1400 (14 dln., 1782 —18281. Baden, Danmarks Riges Historie (5 dln., 1829—32), Molbech, Fortàllinger af den danske Historie (2 dln , 1837—38), E. F. Allen, Del danske Sprogs Historie i Slesrig (2 dln , 1857—58), Oettinger, Geschichtc des dan. Ho fes von Christian II his Friedrich VII (8 dim, Hamb. 1857—59), Lundblad, Histoire de Danemarie et de Norcège (2 dln., Tours 1860), Kjellgren, Danmarks IIistoria(Stokh. 1862), Usinger, Deutsch-dan Geschiedde 1189—1227 (Berl. 1863), Vaupell, Kampen for Sfmderjglland 1848—50 (3 dln , 1863—67), Allen. T)e tre nordiske Rigers Historie 1497—1530 (1864—72), Barfod. Fortallinc/er af Fadrelandets Historie(Vl,‘ druk 2 dln., 1872-74), E. Holm, Danmark-I to I ’t/es tide)) riqske Historie 1791—1807 (2 dln., 1875), Dm dansketgske Krig 1848—50, udg. af Generalstaben (6 dln., 1867—75), L. C. Müller, Danmarks Historie (2 dln., 1876 v.v.), A D. Jorgensen, Den nordiske Kirkes Grumllaggelse (2 dln., 1874—78), J. A. Frederieia,Danmarksgdrepo/itiske Historie 1028—00 (slechts tot 1645, 2 dln . 1876—81). Allen, Haandbog i Fadrelandets Historie (84tl' druk, 1881), Joh. Steenstrup, Normannerne (4 dln., 1876—82), E. Th. Sorensen, Den a mien slesvigske Krig (3 dln., 1883), E. Holm. I)aumark-Norges indre Historie 1000—1720 (2 dln, 1885—86), Thrige, Danmarks Historie i port Aarhundrede (2 dln , 1890)) Thorsö, Den danske Stats politiske Historie 1800—04 (4 dln., 1873 —89, Fabricius, Illnstreret Danmarks Historie for Folket (2 dln , 1890), T. Lund, Danmarks og Norges Historie i Slntningen afdet lode Aarh. (Ï1 dln., 1879—91), Barfod. Danmarks Historie fra 1319—1070 (4 dln., Kopenh. 1885—93), Den dansl-fgske Krig 1804, udg. af Generalstaben (2 dln., 1890—92). Danmarks Riges Historie (door Steenstrup, Erslev e. a., deel 1 — 6, 1896—99); Danslc Magazin(i7Ab v. v.), Historiek Tidskrift (1840—1900).