Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

ZWEET

betekenis & definitie

ZWEET, o. elke vochtigheid die droppelsgewijze door iets heendringt, inz. vocht dat door de poriën der lichaamshuid naar buiten dringt en door de zweetkliertjes afgescheiden is: het zweet liep hem langs het gezicht; ik ben nat van het zweet; zich in het zweet werken;

— in het zweet des aanschijns, zeer zwaar werkende, zwoegende;
— (fig.) hij mag zijn zweet niet ruiken, hij houdt niet van werken;
— het koude zweet brak hem uit, van angst, benauwdheid begon hij te zweeten;
— (jag.) bloed (van wild): het haas wentelt in zijn zweet;
— (leerl.) vet en andere stoffen die uit de huid naar buiten komen;
— (bouwk.) het zweet staat op de muren, die zijn nat aangeslagen, voelen vochtig. ZWEETJE, o. (-s), daar heb ik een zweetje op gehaald, daarvoor heb ik mij in het zweet gewerkt.