Zweet
o. g. mv., 1. uitscheidingsvocht dat door de poriën der lichaamshuid naar buiten dringt en door bijzondere kliertjes afgescheiden wordt: het zweet liep hem langs het gezicht; ik ben nat van het zweet; zich in het zweet werken; — (bijb.) in het zweet des aanschijns, zeer zwaar werkende, zwoegende (vgl. Gen. 3 : 19); — hij mag zij...