Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 14-03-2020

Zwart

betekenis & definitie

Het begrip zwart heeft 2 verschillende betekenissen:

1. zwart - ZWART - 1. ZWART, bn. (-er, -st), van die kleur welke geen enkelen lichtstraal terugkaatst, de zuivere tegenstelling van wit: zoo zwart als roet, als git; zwarte verf; zwart laken; zwarte bessen, zwart haar; een zwart paard; zwarte vos, pikzwart paard;
— zeer donker: zwarte kersen, zeer donkere, rijpe meikersen, (ook) krieken; zwarte oogen hebben; zwarte wolken;
— het is eene zwarte lucht, met veel zwarte wolken;
— eene zwarte huid, door de zon verbrand;
— het zwarte ras, de negers;
— zwart brood, grofroggebrood;
— zwarte vliegen (bibio marci), vliegen die veel op de bloesems van appel- en pereboomen voorkomen;
— zwart wild, wilde varkens;
— vuil, morsig, bemorst: wat zijn uwe handen zwart!; dat behangsel is zwart; het ziet zwart van ouderdom; dat kind is zoo zwart als de schoorsteen;
— (muz.) zwarte noot, iedere dichte noot, dus alle noten minder dan eene halve;
— (R.-K.) zwarte Zondag, de tweede Zondag vóór Paschen, omdat dan kansel en altaar met zwart behangen zijn;
— de zwarte staar, zekere blindheid;
— de Zwarte Dood, naam eener hevige pestepidemie in het midden der 14de eeuw;
— de Zwarte Hoop, naam van eene groote menigte onbetaalde krijgslieden die in de 16de eeuw hier te lande van roof en plundering leefden;
— hij ziet zwart van den honger, zeer vermagerd;
— een zwart register, waarop veel straf aangeteekend is;
— eene zwarte ziel, iem. die veel kwaad bedreven heeft;
— het zag er zwart van menschen, er waren er zeer veel;
— donker, verstoord: iem. zwart aankijken; een zwart gezicht zetten, norsch, onvriendelijk;
— iem. zwart maken, hem in een ongunstig licht plaatsen, veel kwaad van hem vertellen;
— bij iem. met eene zwarte kool aangeteekend zijn, bij hem als een schadelijk lid der maatschappij te boek staan;
— het zwarte boek, waarin diegenen worden opgeteekend, welke zich den haat van
... op den hals gehaald hebben;
— zich alles zwart voorstellen, alles zwart inzien, neerslachtig, moedeloos zijn, van alles meer op het tegen dan op het voor letten;
— hij liegt dat hij zwart wordt, hij liegt grof;
— zwarte misdaden, snoode;
— (Ind.) zwarte kat, vierkante kelderflesch.
ZWARTHEID, v.

2. zwart - ZWART, o. de zwarte kleur;
— wat zwart is: het zwart der oogen; in het zwart gekleed, met zwarte kleederen aan; zwart op wit, bewijs op schrift;
— verfstoffen: ivoor-, been-, lampezwart;
— (plantk.) eene woekerzwam die zich bevindt op en tusschen de bloemdeelen, vooral de kafblaadjes der graangewassen, inz van tarwe, alsmede van gerst en haver, waardoor deze deelen in eene zwarte, poedervormige, licht verstuivende zelfstandigheid veranderd worden en de aar met hare bloempakjes verschrompelt.