Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Wasschen

betekenis & definitie

Het begrip wasschen heeft 2 verschillende betekenissen:

1. wasschen - WASSCHEN - (wiesch, waschte, heeft gewasschen), door middel van water of andere vloeistof schoonmaken : zich de handen, het gezicht wasschen; een kind wasschen; borden en schotels wasschen; het vuile goed wasschen; (boekdr.) de drukvormen wasschen, met een in loog gedoopten borstel de onreinheden verwijderen; erts wasschen, door water van aarddeelen zuiveren;
— (fig.) dat is den morman gewasschen, zie MORIAAN;
— iem. het hoofd of de ooren wasschen, hem geducht doorhalen, scherp berispen; iem. den rug wasschen, hem afrossen;
— (fig.) ik zal dat varken wel wasschen, ik zal dat wel in orde brengen;
— (spr.) als de eene hand de andere wascht, worden zij beide schoon, wederkeerige hulp maakt het werk gemakkelijk; ik wasch mijne handen in onschuld, ik kan het niet helpen;
— zonder het begrip van schoonmaken: de melk wasschen, met water verdunnen; de oogen met boorwater wasschen, betten; iem. die in zwijm ligt, met azijn wasschen, opfrisschen;
— (teekenk.) eene kleur met water allengs van het donkere tot het lichte doen overgaan;
— (kaartsp.) doorschudden (de kaarten); dooreenschuiven (steenen van het dominospel). '

2. wasschen - WASSCHEN - o. wassching; voetbad; het natmaken der vingers van den priester (bij de mis):