Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

WANDELEN

betekenis & definitie

WANDELEN - (wandelde, heeft en is gewandeld), gaan : (bijb.) hij sprong op en wandelde; ik wandel in uwe waarheid, ik wijk niet van den rechten weg af;

— (fig.) op den rechten weg wandelen, zich goed gedragen;
— gemakkelijk en zonder zich in te spannen gaan : ik zal hier wat heen en weer wandelen;
— tot uitspanning langzaam en gemakkelijk gaan : ik ga eens wandelen; wij zijn naar Delft gewandeld; wij hebben een uurtje gewandeld. WANDELING, v. (-en), het wandelen;
— wandelplaats;
— afstand dien men wandelende aflegt;
— (fig.) er is weinig goudgeld, veel papier in de wandeling, in omloop;
—in de wandeling (gewoonlijk) wordt dit zoo genoemd.