Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

Visschen

betekenis & definitie

Het begrip visschen heeft 3 verschillende betekenissen:

1. visschen - VISSCHEN - m. naam van een der teekens van den dierenriem (aangeduid door ♓).

2. visschen - VISSCHEN - (vischte, heeft geviscbt), met een net of een hengel isch vangen of trachten te vangen : met den hengel, met het werpnet visschen;
— ook gezegd van andere dingen die zich in het water bevinden: parels, barnsteen, sponzen visschen, naar het anker, den kabel, een drenkeling visschen, in het water die opzoeken;
— (in spr.) naar iets visschen, trachten achter een geheim te komen;
— in troebel water is goed visschen, waar verwarring heerscht, doet de oneerlijke man zijn voordeel;
— achter het net visschen, te laat komen;
— met een zilveren hengel visschen, visch koopen; (ook) door geld zijn doel bereiken;
— voor eens visschers der visschen, vergeefsche moeite doen; elk vischt op zijn getij, ieder neemt de gelegenheid waar om vooruit te komen.

3. visschen - VISSCHEN - o. visscherij, vischvangst.