Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

Net

betekenis & definitie

1. Net bn. bw. (-ter, -st), fraai, sierlijk: hij is altijd keurig net gekleed; schrijf toch wat netter;

eenvoudig mooi; hij heeft daar een paar nette kamers; eenvoudig en net; net gemeubileerde kamers;
— beschaafd, fatsoenlijk; nette taal; nette menschen; het huis staat op een netten stand; hij heeft nu eene nette positie;
— aardig, lieftallig, innemend: een net stadje;
— een net dienstmeisje, dat er altijd zindelijk en schoon uitziet, dat zich steeds netjes gedraagt;
— dat staat hem niet net, niet fraai;
— hij heeft hem niet net behandeld, niet mooi, niet zooals het hoort;

— bw. juist, nauwkeurig, precies: net van pas;
— net gepast, er ontbreekt niets aan en er is niets te veel (b. v. van eene geldsom);
— net ter snede, juist van pas, op het geschikte oogenblik;
— hij gaf mij net zooveel als haar, juist zooveel; de klok slaat net vijf uur;
— het is nog maar net vijf uur, nog maar pas, nog maar even;
— ik weet het zoo net niet meer, zoo precies;

— o.; in het net schrijven, van het klad overschrijven.
2. Net o. (-ten), strikwerk om visschen, vogels en andere dieren te vangen: netten breien, knoopen, boeten, drogen; de netten uitgooien, uitzetten, spannen, ophalen; zij vingen zooveel visch, dat hun net scheurde; vinken vangen in een net; netje om kapellen te vangen;
— (fig.) hij vischt achter het net, te laat komen, zijne kans verkeken hebben;
— in het net zijn, verschalkt zijn;
— iem. het net over het hoofd halen, iem. onverwachts tegen wil en dank tot iets doen besluiten;
— dat valt in mijn net, dat gelukt mij;
— (Zuidn.) door alle netten gevlogen zijn, listig, doortrapt, van alle markten thuis zijn;
— zijn net in den wind steken, onderzoeken;
— zijne netten drogen, uitscheiden met visschen, (ook) op zijn verhaal komen door ingetogenheid, b. v. na dronkenschap, na groote vermoeidheid; (ook) zijne uitgaven bekrimpen, zich het gebruik van sterken drank ontwennen;
— zekere zak van draden of touw met mazen vervaardigd: net over een luchtballon; net aan een baggerbeugel; eieren in een netje koken; een netje om visch te halen; zij draagt het haar in een netje;
— (bij vergelijking) web eener spin: meestal spint de spin het net, waarin zij zelve gevangen wordt;
— wat zich als een net, met veelvoudige vertakking en onderlinge kruising over iets uitstrekt: een net van straatwegen en kanalen; een net van buizen, van riolen; telefoonnet; spoorwegnet;
— (teek., meetk.) ruitvormig in rechte hoeken kruiselings over elkander getrokken lijnen, tot het schetsen van teekeningen, het maken van landkaarten enz.;
— (ontl.) een op een net gelijkend samenstel van vaten, aderen of zenuwen; (ook) de eigenaardige voortzetting van het bekleedsel der maag, milt en van den dikken darm; het kleine net, eene voortzetting van het buitenste overtreksel van maag en lever;
— op een net gelijkend ondergoed, op het bloote lichaam gedragen. NETJE, o. (-s).