Naam betekenis & definitie

Naam m. (namen), woord waarmede een persoon of zaak wordt aangeduid, benaming: hij is den naam van mensch onwaardig; de namen der maanden; hoe is uw naam?; — bij name, namelijk, met den naam van; — in naam des Konings, op gezag van den Koning; — zeg hem uit mijn naam, op mijn verzoek, op mijn bevel, (ook) zeg hem dat ik zeg; — op iemands naam koopen, zeggen dat hetgeen men koopt voor den persoon is, wiens naam men noemt; — ik wil er den naam niet van hebben, ik wil er niet voor gehouden worden; — ’t mag geen naam hebben, het is niet noemenswaard, heeft niets te beteekenen; — (Zuidn.) het heeft geen naam, de zaak is overdreven, belachelijk of schandelijk: het heeft geen naam, zooals die modepop zich tooit; — het kind moet een naam hebben, men moet eene zaak (hoe dan ook) aanduiden; — het kind bij zijn naam noemen, onbewimpeld zeggen hoe men over iets denkt; — zijn naam onder iets zetten, het onderteekenen; — eer, roem, de bekendheid die iem. zich weet te verzekeren: een man van naam; hij heeft veel naam gemaakt; — (spr.) (bijb.) een goede naam is beter dan goede olie; een goede naam is geld waard; — te goeder naam en faam bekend zijn; — hij heeft den naam van rijk te zijn, men noemt hem rijk; — wie den naam heeft van vroeg op te staan, mag lang slapen; — schijn, in tegenstelling met de daad, de werkelijkheid, het wezen: hij heeft den naam, maar zijn broeder de daad; hij is een christen in naam; hij is dit slechts in naam, niet werkelijk. NAAMPJE, o. (-s).