Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 27-09-2018

2018-09-27

Naam

betekenis & definitie

Naam m. (namen), woord waarmede een persoon of zaak wordt aangeduid, benaming: hij is den naam van mensch onwaardig; de namen der maanden; hoe is uw naam?;

— bij name, namelijk, met den naam van;
— in naam des Konings, op gezag van den Koning;
— zeg hem uit mijn naam, op mijn verzoek, op mijn bevel, (ook) zeg hem dat ik zeg;
— op iemands naam koopen, zeggen dat hetgeen men koopt voor den persoon is, wiens naam men noemt;
— ik wil er den naam niet van hebben, ik wil er niet voor gehouden worden;
— ’t mag geen naam hebben, het is niet noemenswaard, heeft niets te beteekenen;
— (Zuidn.) het heeft geen naam, de zaak is overdreven, belachelijk of schandelijk: het heeft geen naam, zooals die modepop zich tooit;
— het kind moet een naam hebben, men moet eene zaak (hoe dan ook) aanduiden;
— het kind bij zijn naam noemen, onbewimpeld zeggen hoe men over iets denkt;
— zijn naam onder iets zetten, het onderteekenen;
— eer, roem, de bekendheid die iem. zich weet te verzekeren: een man van naam; hij heeft veel naam gemaakt;
— (spr.) (bijb.) een goede naam is beter dan goede olie; een goede naam is geld waard;
— te goeder naam en faam bekend zijn;
— hij heeft den naam van rijk te zijn, men noemt hem rijk;
— wie den naam heeft van vroeg op te staan, mag lang slapen;
— schijn, in tegenstelling met de daad, de werkelijkheid, het wezen: hij heeft den naam, maar zijn broeder de daad; hij is een christen in naam; hij is dit slechts in naam, niet werkelijk. NAAMPJE, o. (-s).