Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Traag

betekenis & definitie

Traag - bn bw. (trager, -st), langzaam, niet voortvarend: traag in het werk, in het eten; lui: trage jongens ; de ezel is hier te lande traag; zij is traag in het schrijven, zij schrijft niet vaak; (spr.) de een traag, de ander graag. TRAAGHEID, v. langzaamheid ; luiheid; (nat.) volhardingsvermogen, inertie.