Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 02-12-2018

Suiker

betekenis & definitie

Suiker - v. (-s), naam van een aantal in water oplosbare stoffen, die alle een zoeten smaak bezitten en uit koolstof, waterstof en zuurstof bestaan : druivensuiker, vruchtensuiker, rietsuiker;

— inz. de suiker uit het suikerriet of uit beetwortels verkregen : ruwe suiker, ongezuiverde; suiker raffineeren, zuiveren : fijne, geraspte, bruine, basterd, witte suiker; zoo zoet als suiker, bijzonder zoet;
— bruidsuiker. SUIKERTJE, o. (-s).