Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

2018-11-22

Orde

betekenis & definitie

Orde - v. rang, regeling, regelmatigheid, geregelde toestand; een man van orde, die alles geregeld doet;

— de zaak is in orde, daaraan behoeft niets meer gedaan te worden, (ook) aan uw verzoek wordt voldaan, uw voorstel is goed bevonden enz.;
— ik ben weer in orde, geheel hersteld;
— eene kamer in orde brengen, alles op zijne geregelde plaats stellen;
— de troepen staan in orde geschaard, marcheeren in goede orde, juist zooals het behoort;
— in orde, sta !, commando bij het leger;
— commissaris van orde (bij feesten), wien de zorg voor den geregelden gang van zaken is opgedragen;
— zijne hoeken in orde houden, brengen, goed geregeld;
— orde op zijne zaken stellen, zijne zaken regelen;
— op orde komen, na eene verhuizing, wanneer alle soesah voorbij raakt;
— tucht, rust: orde in de school;
—; die onderwijzer houdt gemakkelijk orde, haast vanzelf gaat alles geregeld zijn gang;
— de orde bewaren, handhaven, herstellen; verstoren; op orde gesteld zijn; van orde houden, graag zien, dat alles geregeld gaat;
— een stuk van orde, een administratief stuk;
— orde in huis is er, niets gaat er onbehoorlijk toe;
— wetten op de openbare orde en zedelijkheid;
— de maatschappelijke orde, de geregelde gang in de maatschappij;
— in eene vergadering iets aan de orde stellen, brengen, maken dat de vergadering er zich mede bezighoudt. er over debatteert;
— aan de orde komen, volgen: dat is buiten de orde, dat volgt, past niet, behoort hier niet bij;
— programma van orde (bij de Staten-Generaal), reglement;
— buiten de orde gaan, over andere onderwerpen spreken, (ook) zich van geen nette, passende bewoordingen bedienen;
— tot de orde roepen, als iem. buiten de orde gaat;
— dat is aan de orde van den dag, iedereen spreekt er over, houdt er zich mede bezig;
— eene motie van orde stellen, zie MOTIE;
— tot de orde van den dag overgaan, na een of ander voorval, tot de werkzaamheden, die aan de orde zijn, overgaan:

—, (-n), (bouwk.) eene regelmatige samenstelling van uitspringende deelen, waarvan de kolom het hoofddeel uitmaakt en hoofdzakelijk dient, om aan het geheel een schoon aanzien te geven : de vijf orden, de Toskaansche, Dorische, Jonische, Korintische en Romeinsche;
— vereeniging van personen, die door regelen en wetten verbonden zijn: eene geestelijke orde; de vrijmetselaarsorde;
— teeken, dat men tot eene vereeniging behoort: de orde van den Nederlandschen Leeuw, de Willemsorde uitreiken; iem. eene orde schenken;
— afdeeling, klasse (inz. in de nat. gesch.): de orde der zoogdieren.