Gepubliceerd op 24-02-2020

Tong

betekenis & definitie

Het begrip tong heeft 2 verschillende betekenissen:

1. tong - tong - v. (-en), een licht gewelfd, met slijmvlies overtrokken, zeer beweeglijk spierachtig lichaam, dat den bodem der mondholte helpt vormen en in de opening der onderkaak gelegen is; de wortel, de punt, de riem, van de tong;
— de tong laten zien, aan een dokter b. v.;
— de tong is beslagen, met geelachtig witten aanslag bedekt;
— de tong uitsteken, voor een deel buiten den mond brengen; de tong tegen iem. uitsteken, ten teeken van hoon:
— de tong kleeft a.an het gehemelte van dorst;
— slangen hebben eene gespleten tong;
— .gerookte tong, inz. van runderen;
— de tong beschouwd als smaakorgaan : hij heeft eene fijne tong, hij kan fijn proeven;
— de tong beschouwd als spreekorgaan : eene zware tong hebben, zwaar van tong zijn, niet gemakkelijk kunnen spreken;
— zijne tong slaat dubbel, slaat kadul. hij kan niet duidelijk spreken, zoo dronken is. hij;
— eene goede tong in den mond hebben, wel ter tong zijn. welbespraakt zijn;
— rad van tong zijn, snel en veel spreken;
— hij heeft eene gladde tong, hij kan goed praten;
— eene dubbele tong hebben, met twee monden spreken;
— eene fluweelen tong hebben, vleien, mooi praten;
— eene bitse, scherpe tong hebben, bits, scherp spreken;
— zijne tong in toom houden, niet meer spreken dan betaamt;
— zijne tong geweld aandoen. zich tot zwijgen dwingen;
— iem. de tong losmaken, aan het spreken brengen;
— iem. de tong schrapen, hem uithooren;
— hij heeft zijne tong ingeslikt, gezegd van iem. die geen woord spreekt;
— zijne tong laten gaan, den vrijen loop laten, er maar op los praten;
— eene lange tong hebben, lang van tong zijn, veel praten, alles overbabbelen;
— het ligt mij op de tong, ik sta op het punt het te zeggen;
— het hart ligt hem op de tong. hij spreekt naar de ingeving van zijn hart; wat hij zegt meent hij;
— op zijne tong bijten, zich geweld aandoen om niets te zeggen;
— zijne tong is hem gebonden, hij kan of durft niet vertellen wat hij weet;
— iem. over de tong laten gaan, veel over hem spreken;
— op de tong rijden, het onderwerp der gesprekken zijn;
— met de tong stooten, een snakkend geluid maken om een paard aan te zetten;
— een persoon in betrekking tot hetgeen hij zegt: kwade tongen hebben het uitgestrooid, lasteraars;
— duizend tongen verkondigen Gods eer;
— (h. st.) taal van een volk, het volk zelf: vreemde tongen spreken;
— wat op eene tong gelijkt: dat deel van een gesp, dat zich om eene stift beweegt en in den doorgestoken riem enz. wordt gestoken om dien vast te houden;
— naald eens evenaars:
— schoot van een slot;
— deel eener orgelpijp;
— koperen mondstuk van blaasspeeltuigen;
— (zeew.) split van een standaard;
— uitstekende punt van eene landstrook, zandbank;
— tong van een mast. de kern, het middelstuk van een mast, die uit meer deelen bestaat;
— tong van eene galei, het gladgeschaafde stuk in eene verdeelde leest om die in den schoen te spannen:
— (wev.) tong van de voorscheer, stuk hout dat aan het midden der voorscheer van het touw naar beneden uitsteekt en waarin het eene uiteinde der voetschamels is vastgemaakt;
— (bouwk.) tong in een schoorsteen, scheidsmuur;
— (landb.) tong van een ploeg, zijijzer. TONGETJE, o. (-s), kleine tong (in alle bet.);
— (plantk.) vliezig deel op de grens van bladscheede en bladvlakte; uitsteeksel van een bloemkroonblad op de grens tusschen plaat en nagel.

2. tong - tong - v. (-en), zekere platvisch (solea vulgaris) die in alle zeeën om Europa, zelfs in de Oostzee, aangetroffen wordt en als een fijn gerecht overal zeer gezocht is. TONGETJE, o. (-s).

< >