Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Opnemen

betekenis & definitie

Opnemen (nam op, heeft opgenomen), omhoognemen, van eene oppervlakte wegnemen : een boek opnemen, om te zien of er wat onder ligt;.

— een kleed, een tapijt opnemen, van den grond nemen om het goed uit te kloppen;

— de japon opnemen, omdat zij sleept, (ook) haar korter maken;

— een gordijn, eene vlag op drie plaatsen opnemen, om te drapeeren;

— eenige draden tegelijk opnemen, bij het naaien of borduren;

— een steek opnemen, om dien te herstellen;

— een oogenblik de krant opnemen, in de hand nemen om te lezen;

— de pen opnemen, om te schrijven;

— (kaartsp.) ik zal het spel voor u opnemen, om voort te spelen, het spel te vervolgen in uwe plaats;

— (fig.) het voor iem. opnemen, zijne partij kiezen; het tegen iem. durven opnemen, zich met hem durven meten;

— den draad van een gesprek weer opnemen, het gesprek vervolgen, voortzetten;

— zijn vroeger vak opnemen, dit weer uitoefenen;

—oprapen, wegnemen : een papier van den vloer opnemen;

— den handschoen voor iem. opnemen, zie HANDSCHOEN;

— het op zijn gemak opnemen, zich niet druk voor iets maken;

hij neemt het te druk op, beijvert zich te veel, spant zich te veel in;

— (jag.) het opvatten van den dresseerbok of eenig wild om het te apporteeren;

— opbetten en droogmaken : er is melk gemorst, neem het even op;

— het vuil van den grand opnemen, met spons en zeemlap opdoen;

— den grond, den vloer opnemen, opdweilen;

— men wordt hier opgenomen van den tocht, het is hier erg tochtig;

— opbreken en wegnemen om te herstellen : den vloer, de straat, het plaveisel opnemen;

—meten en in teekening brengen: een vloer, een stuk land opnemen;

— onderzoeken en in kaapt brengen : een bosch, eene kust, eene landstreek opnernen;

— eene vesting opnemen, de voornaamste verdedigingsmiddelen en bijzonderheden in oogenschouw nemen en teekenen;

— iets opnemen, (bij het photographeeren) er eene afbeelding van maken;

— een zerk opnemen, het opschrift opteekenen;

— nazien, onderzoeken : de boeken van eene failliete firma opnemen; de rekening opnemen;

— de brandschade opnemen, nazien, onderzoeken en. een zeker bedrag er voor vaststellen;

— huizen opnemen, schatten ;

— samen tellen : de stemmen opnemen;

— bekijken, waarnemen : iets goed, van alle kanten opnemen;

— iets in scherts, in ernst opnemen, hot van die zijde beschouwen, het als scherts, ernst opvatten;

— iets verkeerd opnemen, het misverstaan, er eene verkeerde uitlegging aan geven;

— iets goed. kwalijk opnemen, als zoodanig beoordeelen, uitleggen, verklaren;

— iets hoog opnemen,, zeer ernstig;

— iem. van alle kanten opnemen, hem nauwgezet bezien;

—geld opnemen, tegen intrest leenen; (ook) een zeker bedrag van ’t loon te voren opvragen:

— een schip opnemen, voor eene bepaalde reis huren;

— de Rijn neemt veel zijrivieren op, ontvangt daarvan zijn water;

— iem. ir een gezin, in eene vereeniging opnemen, hem daar toegang verleenen (als lid);

— iem. in een gesticht doen opnemen, hem daar plaatsen;

— (Bijb.) hij is in heerlijkheid opgenomen, in den hemel opgenomen, (ook) hij is zalig overleden;

— iem. van de straat opnemen, een vondeling of iem. die arm en berooid is, tot zich nemen en verzorgen;

— iets in een boek opnemen, vermelden, plaatsen;

— de redactie wilde het artikel niet opnemen. niet plaatsen;

— dit woord is sedert in onze taal opgenomen, gebezigd, in gebruik genomen;

— een jong paar in ondertrouw opnemen, in het register van den Burgerlijken stand, als toekomstige echtgenooten inschrijven;

— (gew.) zich eene gewoonte maken van iets te zeggen of te doen; die mode neemt op, raakt in zwang;

— zijne zaak zal wel opnemen, vooruitgaan;

— dat boek neemt erg op, wordt veel gevraagd, gekocht, gebruikt.