Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-12-2018

2018-12-06

SCHOUT

betekenis & definitie

SCHOUT - m. (-en), gerechtelijk beambte, baljuw ; (oudt. inz.) commissaris van politie (tot voor een paar jaren in Indië het gewone woord ; thans afgeschaft);

—(spr.) dat mag ik de deur van den schout voorbijdragen, wat ik doe is zeer geoorloofd, wettig;
— (gew.) marktmeester belast met den verkoop van iets : aardappelschout;
— (gew.) een aanzienlijke boer, scholteboer.