Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

Schenden

betekenis & definitie

Schenden - (schond, heeft geschonden), bederven, breken, misvormen : een boom schenden, van bladeren, schors en loof berooven; schend dit boekje niet; een geschonden exemplaar;

— hij is van de pokken geschonden, hij is pokdalig;
— (spr.) wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht, wie kwaad spreekt van zijn bloedverwanten, onteert zichzelven;
— onteeren; eene maagd schenden; een geschonden huwelijksbed;
— iemands eer schenden, hem belasteren;
— hij schendt mij (mijn goeden naam) overal, hij belastert mij overal;
— ontwijden, ontheiligen; kerken, graven schenden; gij zult den sabbat niet schenden;
— verbreken, overtreden: zijn woord, belofte, eed schenden; de heiligste dingen, rechten schenden;
— (gew.) schelden, scheldnamen geven, scheldwoorden toevoegen. SCHENDING, v. (-en), het schenden (in alle bet.)