Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 01-09-2018

Boekje

betekenis & definitie

BOEKJE, o. (-s), klein boek; inz. boekje waarin de keukenmeid haar voorschotten, of de leveranciers het door hen geleverde opschrijven het boekje van den kruidenier, den slager;

iets op het boekje halen, niet dadelijk betalen;
— iets (eene beleediging b.v.) op zijn boekje schrijven, goed onthouden, zoodat het vergeten noch vergeven wordt;
— zijn boekje opendoen, zijne zaken blootleggen, zijne meening zeggen; (ook) zijne geheimen vertellen;
— een boekje van iem. opendoen, uiteendoen, iemands misslagen en gebreken blootleggen, aan den dag brengen, over hem klagen;
— het gaat zoo glad (zoo vlot), alsof hij het uit een boekje las, van iem. die gemakkelijk en vlug spreekt;
— (Zuidn.) 't boekje kwijt zijn, den draad kwijt zijn, blijven steken;
— (ook) niet weten wanneer de bevalling te verwachten is, vgl. den tel kwijt zijn;
— buiten zijn boekje gaan, zijne bevoegdheid te buiten gaan; (ook) spreken over zaken die niet aan de orde zijn, of waarvan men geen verstand heeft; (ook) iets doen waartoe men geen recht of last heeft;
— hij houdt zich aan zijn boekje, volgt angstvallig de voorschriften op;
— dat staat niet in zijn boekje, daarmee bemoeit hij zich niet, daar komt bij hem niets van in;
— iem. die maar één boekje gelezen heeft, gezegd van bekrompenen van geest;
— het hoekje van den duivel, een spel kaarten, vgl. bijbel;
— (gew.) een hoekje koopen, vijf kaarten koopen bij ’t lantarluspel;
— een boekje tramkaartjes, eenige coupons tot een boekje vereenigd;
— een boekje postzegels, eenige postzegels voor een zeker bedrag in boekvorm verkrijgbaar gesteld;
— een boekje cigarettenpapier.