Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 24-02-2020

2020-02-24

Schel

betekenis & definitie

Het begrip schel heeft 3 verschillende betekenissen:

1. schel - schel - v. (-len), bel, klokje : aan de schel trekken; de schel gaat niet over; electrische schel; tafelschel. SCHELLETJE, o. (-s), kleine schel; schelletje trekken, straatjongensbedrijf, om onnoodig aan de huisschel te trekken.

2. schel - schel - v. (-len), zie SCHIL; (bijb.) de schellen zullen hem van de oogen vallen, hij zal zijne dwaling inzien. SCHELLETJE, SCHILLETJE, o. (-s).

3. schel - schel - bn. bw. (-Ier, -st), helderklinkend, hard (van geluid) : eene schelle stem; een schel geluid,
— (gew.) zeer helder : schel licht; de lucht is schel, zeer helder, zoodat het volle daglicht de oogen pijnlijk aandoet.