Gepubliceerd op 24-02-2020

Bel

betekenis & definitie

Het begrip bel heeft 3 verschillende betekenissen:

1. bel - BEL, ook BEËL, naam voor God Baäl.

2. bel - BEL, v. (-len), een hol metalen voorwerp (klok of halve bol), dat een klank geeft, zoodra de klepel of een hamertje ertegen slaat en dat dient om te waarschuwen, gehoor te vragen enz.; eene schel: eene tafelbel; eene electrische bel; eene bel aan fietsen;
— inz. aan stations, aanlegplaatsen, op booten, trams enz. (om het afrijden, afvaren aan te kondigen); de bel gaat al; de bel luiden;
— (in huizen) eene van een knop of ring voorziene ijzeren pen (trekker) die door den deurpost gaat en door middel van een metalen draad of koord, die over tuimelaars of schijven loopt, met de aan de zoldering of muren aangebrachte bel verbonden is huis-, gang-, keuken-, kantoorbel;
— ook heb geluid dat de bel maakt ik hoor de bel; die bel doet mij schrikken;
— belletrekker aan de bel trekken;
— de bel gaat niet over, geeft geen geluid;
— bij iem. aan de bel hangen, telkens aanbellen, inz. om hem te bezoeken;
— naar de bel loopen; een meisje voor de bel gevraagd
— eene bel moeren. (studententaal) den trekker van den draad rukken en meenemen;
— eene dergelijke bel in de keuken of in een ander vertrek, die door een koord welke in de kamer hangt, in beweging gebracht wordt, kamerbel;
— electrische geleiding aan eene bel verbonden op de(n) bel(leknop) drukken;
— een rond en hol metalen voorwerp met losse rammelende stukjes metaal erin eene kinderbel; eene narrebel; een arretuig met bellen; het paard de bellen opleggen;
— (spr.) de kat de bel aanbinden, de eerste zijn bij eene hachlijke onderneming;
— (gew.) iets aan de bel hangen, openbaar, ruchtbaar maken;
— (Zuidn.) de bel van een stadsomroeper iem. in de belle slaan, door den omroeper of in de krant laten bekend maken, dat hij onbekwaam is tot koopen en verkoopen;
— die hofstede gaat in de belle komen, zal publiek verkocht worden;
— hij heeft zijn huis in de belle gehangen, publiek ten verkoop aangeboden;
— (gew.) oorbel of oorhanger; kristallen prisma’s (aan lampen):
— (gew.) lap, flarden: de bellen hangen bij haar kleed;
— (gew.) de ingewanden van haring de haring van de bellen zuiveren;
— (gew.) de minste soort van vleesch;
— (gew.) slet, slordige vrouw, vgl. lellebel, morsebel, totebel;
— (gew.) de haver schiet in de bellen, de haverpluim waaraan de bloempakjes (gewoonlijk twee in getal) in den vorm van belletjes aan een steeltje neerhangen, begint zich te vertoonen; hopbloem.

3. bel - BEL, v. (-len), bobbel, luchtbel op eene vloeistof;
— bellen blazen, met eene pijp in zeepwater blazen en daardoor groote bobbels vormen die men vervolgens omhoogwerpt; (ook van zuigelingen gezegd): kleine luchtbelletjes met het speeksel maken;
— (gew.) naam voor zekere gezwellen, vgl. belroos;
— (gemeenz.) een bel jenever, een groot glas vol jenever.

< >