Wat is de betekenis van Schel?

2018
2020-11-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

schel

schel - bijvoeglijk naamwoord 1. hard en scherp ♢ zij heeft zo'n schelle stem 2. pijnlijk aan je ogen ♢ een schelle lamp verlichtte het erf Bijvoeglijk naamwoord: schel ....

Lees verder
2015
2020-11-30
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

schel

plak, snee De onderpastoor kwam overeind, het hout kraakte als een verre specht. 'Terwijl de Kleine die verdorven is tot op het merg van zijn gebeente door de aanblik van zijn stervende moeder, juichend de kleding van het bovenlijf verwijderde, met zijn broodmes een kruis maakte zoals zijn dode moeder deed voor zij brood aansneed, en vervo...

Lees verder
2000
2020-11-30
Bijbels Lexicon

Door Karina van Dalen-Oskam & Marijke Mooijaart

Schel

De schellen vallen hem van de ogen, hij ziet plotseling in, wat hij eerder niet begreep. Saulus, die de christenen fel vervolgde, zag op weg naar Damascus een fel licht en hoorde hoe een stem hem vroeg waarom hij hem vervolgde. Saulus werd blind; toen een paar dagen later Ananias, een discipel van Jezus, de handen op Saulus’ ogen legde, werd hij ge...

Lees verder
1933
2020-11-30
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Schel

Kleine luiklok of beiaardklok. ➝ Beiaard.

1926
2020-11-30
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Schel

De klokjes aan den ondersten zoom van het hoogepriesterlijk opperkleed werden schelletjes genoemd (Ex. 28:33 v.). In 1 Cor. 13:1 wordt met schel de cymbaal bedoeld.

1898
2020-11-30
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Schel

zie Bel.

1898
2020-11-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Schel

Het begrip schel heeft 3 verschillende betekenissen: 1. schel - schel - v. (-len), bel, klokje : aan de schel trekken; de schel gaat niet over; electrische schel; tafelschel. SCHELLETJE, o. (-s), kleine schel; schelletje trekken, straatjongensbedrijf, om onnoodig aan de huisschel te trekken. 2. schel - schel - v. (-len), zie SCHIL; (bijb.) de sche...

Lees verder