Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 29-11-2018

2018-11-29

Register

betekenis & definitie

Register - o. (-s), goed gerangschikte inhoudsopgave van hetgeen voorhanden is, om het gemakkelijk te kunnen overzien: een register aanleggen, bijhouden, bewerken;

— inschrijvings-, aanteekeningboek; rol, naamlijst;
— (fig.) op het zwarte register staan, een slechten naam hebben;
— inz. alphabetisch gerangschikte inhoudsopgave van een boekwerk : Mossel heeft een goed register; zaak-, namen-, woordregister;
— bladwijzer: het register zet men gewoonlijk aan het einde van een boek;
— boek waarin akten, contracten, verklaringen enz. gerechtelijk worden opgeteekend;
— de registers van den burgerlijken stand, boeken waarin bij den burgerlijken stand de geborenen, overledenen en gehuwden worden opgeschreven: geboorte-, sterf- en trouwregister;
— (org.) verschillende pijpen die tot dezelfde stem behoren;
— (fig.) die stem is in het lage register goed, maar in het hooge deugt zij niet, de lage tonen zingt zij zuiver en volgde hooge niet;
— houtje terzijde van het klavier, door welks verschuiving men de pijpen van een register doet spreken : een register uithalen;
— (fig.) al de registers uithalen, zijne stem zoo luid mogelijk verheffen;
— in een ander register spelen, (fig.) het over een anderen boeg wenden;
— trekschuit bij iedere roosterconstructie;
— oventrekgat;
— (boekdr.) inrichting waardoor de pagineering van schoon- en weerdruk juist overeenkomen. REGISTERTJE, o. (-s).