Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 06-09-2018

2018-09-06

Gemakkelijk

betekenis & definitie

GEMAKKELIJK, ook GEMAKLIJK en MAKKELIJK, bn. bw. (-er, -st), op zijn gemak gesteld ik word op mijn ouden dag wat gemakkelijk;

— gemak opleverende een gemakkelijke stoel; ik plaatste mij in eene gemakkelijke houding;
— een gemakkelijk leventje), een leven vol gemak en rust;
— het zich gemakkelijk maken, in eene ongedwongen, min of meer luie houding gaan zitten, of wel, zich van hinderlijke kledingstukken ontdoen: (ook) zich minder moeite voor iets geven dan wel betamelijk is
— niet moeilijk, licht: het werk valt hem gemakkelijk; eene gemakkelijke overwinning;
— een gemakkelijk raadsel, dat licht te raden is;
— eene gemakkelijke les, die spoedig te leeren is;
— gemakkelijk spel met iemand hebben, zonder moeite van hem gedaan kunnen krijgen wat men wil;
— hij heeft het in die betrekking al heel gemakkelijk, niet veel te doen;
— de lichtgeloovige is gemakkelijk te bedriegen;
— hij is niet gemakkelijk, het is hem moeilijk naar den zin te maken; (ook) hij kan ongenadig opspelen, als iets niet in orde is:
— bw. (van wijze) kalm, behaaglijk, zonder bezwaar of inspanning gemakkelijk liggen; dat huis is gemakkelijk ingericht;
— dat gaat zoo gemakkelijk niet, het kost meer moeite dan men zou denken:
— hij spreekt gemakkelijk, vloeiend en blijkbaar zonder inspanning;
— bw. (van omstandigheid) licht: hij zal er niet gemakkelijk afkomen, hij zal zwaar voor het bedrevene moeten boeten. GEMAKKELIJKHEID. v.