Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 22-11-2018

Pannekoek

betekenis & definitie

Pannekoek m. (-en), eene soort van ronden dunnen koek; (spr.) ziekten van rijke en pannekoeken van arme lieden kan men ver ruiken;

— (flg.) drek van eene koe, ook wel: pannekoek in de zon gebakken;
— (plantk.), witte plomp;
— (gew.) eene soort van vlinder, wiens lichaam en vleugels met ongelijk groote stippen bezaaid zijn;
— kleine, ronde ijsklompen. PANNEKOEKJE, o. (-s).