Opsteken betekenis & definitie

Opsteken - (stak op, heeft en is opgestoken), door steken omhoogbrengen: hooi opsteken; — (steenfab.) de bewerkte klei met de hand afsteken en op de vormtafel leggen; — het haar opsteken, met haarspelden op het hoofd vaststeken; — in de hoogte heffen : zijn vinger, de hand opsteken; — de handen opsteken, ten teeken van onderwerping, niet langer te willen vechten; — den vinger opsteken (in school), om verlof tot iets te vragen; — zijne vingers voor iets durven opsteken, er een eed op durven zweren; — om iets opsteken, de hand gesloten omhoogsteken, terwijl men iets daarin heeft, dat geraden moet worden : — de hond steekt de ooren op, wordt oplettend, luistert aandachtig; — zijne ooren opsteken, woedend worden, in woede geraken; — de zeilen opsteken, ophijschen, in de hoogte brengen; — (fig.) met een opgestoken zeil iem. aan boord komen, driftig, opgewonden op hem afkomen en hem aanspreken; — de paraplu opsteken, openen en boven zich houden; — (gew.) iem. iets opsteken, in het oor blazen; — het hoofd opsteken, zich het voorkomen van een groot heer geven; — spelden opsteken, op een speldenkussen bv.; — aansteken : de lamp opsteken; het gas, eene pijp, eene sigaar opsteken; — wilt ge opsteken ?, wilt ge eene sigaar hebben, om nu te kunnen rooken ?; — we zullen daar even opsteken, een kort bezoek brengen; — kom van avond eens opsteken, buurten; — een vat opsteken, beginnen er uit te tappen; — den degen opsteken, in de scheede steken; — hij heeft het opgestoken, hij is er van door gegaan, heeft zich weggepakt; — geld opsteken, in den zak steken; — wat valt er bij op te steken, te verdienen, te halen; — hij heeft er niet veel van opgestoken, niet veel aan gehad, is er weinig beter, wijzer, kundiger door geworden; — een varken opsteken, op stal zetten om vet te mesten; — (plaatsn.) opnieuw steken; — een slot opensteken; — (zeew.) de halzen en schooien opsteken, losmaken en vieren; — de wind steekt op, wordt krachtiger; — (zeew.) bij den wind opsteken, oploeven, in den wind opkomen; — (Zuidn.) er heimelijk van doorgaan vluchten; met een meisje opsteken, het schaken; — (Zuidn.) het weer steekt op, klaart op, wordt helderder. OPSTEKING, v. het opsteken (in alle bet.).