Hooi betekenis & definitie

HOOI, o. gemaaid en op het land gedroogd gras: het hooi aan oppers zetten, op stapels; het hooi binnenhalen, van het land in de schuur brengen; — (w. g.) hij heeft het hooi binnen, (fig.) hij is dronken; — voor- en nagrashooi, hooi van de eerste en van de tweede snee; — te hooi en te gras, zelden, op ongeregelde tijden; haastig, slordig; — te veel hooi op zijn vork nemen, meer willen doen, ondernemen, dan zijne krachten toelaten — (gew.) 't is net zooveel als hooi gedorscht, het baat niet; in het hooi slapen, in den hooiberg; — (als voedsel voor het vee): het gaat hem als de ezels, die haver dragen en hooi eten, hij moet zich met het mindere tevredenstellen; — (w. g.) er is nog hooi voor alle koeien, ieder kan nog naar begeerte voorzien worden; ’t hooi is op en de koe is dood, er is niets meer te halen, (ook) ‘t is uit: — hij gooit het (hooi) niet over den balk, hij is niet verkwistend; — het hooi sparen, zeer zuinigjes leven; — in het hooi moeten waken, zeer haastig zijn; — eene naald, speld in een voer hooi zoeken, het onmogelijke willen.