Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Gepubliceerd op 13-09-2018

2018-09-13

Hooi

betekenis & definitie

HOOI, o. gemaaid en op het land gedroogd gras: het hooi aan oppers zetten, op stapels; het hooi binnenhalen, van het land in de schuur brengen;

— (w. g.) hij heeft het hooi binnen, (fig.) hij is dronken;
— voor- en nagrashooi, hooi van de eerste en van de tweede snee;
— te hooi en te gras, zelden, op ongeregelde tijden; haastig, slordig;
— te veel hooi op zijn vork nemen, meer willen doen, ondernemen, dan zijne krachten toelaten
— (gew.) 't is net zooveel als hooi gedorscht, het baat niet; in het hooi slapen, in den hooiberg;
— (als voedsel voor het vee): het gaat hem als de ezels, die haver dragen en hooi eten, hij moet zich met het mindere tevredenstellen;
— (w. g.) er is nog hooi voor alle koeien, ieder kan nog naar begeerte voorzien worden; ’t hooi is op en de koe is dood, er is niets meer te halen, (ook) ‘t is uit:
— hij gooit het (hooi) niet over den balk, hij is niet verkwistend;
— het hooi sparen, zeer zuinigjes leven;
— in het hooi moeten waken, zeer haastig zijn;
— eene naald, speld in een voer hooi zoeken, het onmogelijke willen.